dinsdag 15 juli 2014

Je hebt van die dagen...

Zelfs als je denkt dat je alles bijzonder goed geregeld hebt, kan een klein meisje je plannen danig in de war schoppen door één simpele handeling uit te voeren, waardoor je de hele middag het zweet in je bilnaad hebt staan.

Het is de laatste schoolweek en die bestaat voor mij uit vergaderen, vergaderen en nog eens vergaderen. Om dat zo efficiënt mogelijk te doen, hebben ze op mijn werk bedacht om dat te verdelen over 3 verschillende dagen, op dag 4 reiken we de rapporten uit en op dag 5 vergaderen we nog een keer, om het af te leren waarschijnlijk…
Maar goed georganiseerd als ik ben, heb ik voor de hele week(behalve vrijdag) alles in kannen en kruiken wat betreft kinderopvang en vervoer naar school tijdens deze vergadertijden. Frank laat maandag en woensdag de auto thuis en de andere dagen kan ik met de trein. Calvijn heeft ook meegewerkt, de tijden waren gunstig genoeg, ik hoefde zelden meer dan een kind mee te nemen en had ook slechts een vergadering per dag en met een beetje geluk en de thuisgelaten auto kon ik ook weer op tijd bij de basisschool zijn voor de rest van mijn nageslacht. Ik had zelfs daarvoor nog een noodscenario in het leven geroepen zodat zij, mocht ik onverhoopt vertraagd zijn, niet eenzaam op het plein zouden achterblijven. Dus alles perfect geregeld. Zou je denken…

Je kunt nog zo goed alles geregeld hebben, er zijn altijd van die onvoorziene dingen die behoorlijk de boel in de war kunnen gooien. Bij mij is dat ‘ding’ 3 jaar oud, heeft blonde haartjes en praat heel de dag. We zullen het ‘ding’ in het vervolg van dit verhaal Yfke noemen.
Omdat wij van Frank niet zonder slag of stoot de auto kunnen lenen, moesten Yf en ik  ’s morgens vroeg eerst even een klusje voor papa doen bij de kerk, zodoende waren wij samen al vroeg in de auto op pad en op de terugweg deden wij, ik zei eerder al dat ik efficiënt ben, gelijk even de boodschappen. Thuisgekomen sjouw ik alles naar binnen terwijl Yf nog even in de auto blijft zitten, even oto stoeren (lees: auto sturen). Na het opruimen van de auto haal ik ook haar uit de auto en gaan wij verder met de dagelijkse dingen, wassen, strijken, noem maar op. Een gewone maandagmorgen.

Het venijn zit hem in de maandagmiddag. Het was zo strak gepland. Ik moest om 13.30 in Hardinxveld zijn om te vergaderen, dus met de auto kon dat precies; Eerst de jongens naar school brengen, dan Yf naar de peuterspeelzaal en als we een beetje snel vergaderen, en dat kunnen de mentoren van 3H/V, dan ben ik om 15.15 weer bij school voor de mannen. Perfect!
Dussss…Om 12.50 stappen wij alle vier in de auto, ik steek de sleutel in het contact, draai en  hoor: klik. Het lijdt geen enkele twijfel, ik hoef ook  niet nog een keer te proberen, want dit is niet de eerste keer dat ik dit meemaak. Ik zeg een heel lelijk woord, wordt van achterin gelijk berispt door de middelste, de accu is helemaal leeg. GRRRRRR…..!!!! ‘Yfke! Je hebt weer aan de knopjes gezeten.’ Het blonde ding schiet gelijk in de verdediging: ‘Ik heb het niet gedaan.’ Maar de schuld staat op haar gezicht te lezen. Het knopje van de koplampen staat aan, en na een kleine vier uur aangestaan te hebben, is de accu helemaal leeg.

‘Jongens, uit de auto, loop achterom, pak je fiets en als een haas naar school.’ De mannen weten dat als ik klink als een enigszins overspannen schooljuf (die van de zo-nu-eerst-een-kitkatreclame van vroeger) zij mij niet moeten tegenspreken en sprinten naar de achtertuin. Ik sjor Yf op de fiets en scheur er achter aan. Dan maar met de trein, dan maar te laat op Calvijn, ik bel wel vanuit de trein, bedenk ik al fietsende.
Vanaf dat moment liep er heel de dag niets meer soepel, onderweg naar school valt Chris met zijn fietsje, en nog hard ook, hij maakte een flinke schuiver. Maar ik heb haast dus: ‘Hup opstaan, we moeten naar school’. Huilend staat hij weer op en loopt verder naar school. Ik ben nog niet helemaal een waardeloze moeder, want ik meld nog wel even bij de juf dat ie gevallen is en erg geschrokken, maar er is geen bloed, dus ik geef hem een snelle kus en race verder om Yfke op de peuterspeelzaal af  te zetten.

Ondertussen bel ik mijn ‘noodscenario’ (moeder van Corné), dat ik waarschijnlijk later dan 15.15 ben, omdat ik nu met de trein moet en of ze de jongens mee wil nemen uit school. Mijn noodscenario blijkt tevens mijn reddende engel, want ze biedt me haar auto aan. Dus snel drop ik Yf op Pippeloentje en trap weer verder naar de leenauto. Perfect! Om 13.26 stap ik in Hardinxveld de school binnen, met het zweet inderdaad in mijn bilnaad (deze uitdrukking klopt echt) draai ik nog gauw mijn vergaderpapier uit en zoek het juiste lokaal, onderweg daarheen geef ik de directeur nog een veeg uit de pan, omdat hij dacht grappig te moeten zijn omdat ik er zo oververhit uitzie, maar daar had ik dus geen zin na dit turbulente kleine uurtje en dien hem van repliek…(hij schrikt er zo van dat ie 3 minuten later met een kan water en glazen in het lokaal staat…nog bedankt Sjaak). Goed na een diepe zucht en een glas water kan de vergadering beginnen.
 
Wij mentoren van 3H/V blijken inderdaad efficiënt te kunnen vergaderen en ik sta om 14.45 weer met de auto in Gorinchem.
Pfff…nu hoef ik alleen nog maar de jongens op te halen, de auto weer aan de gang te krijgen, Yfke op te halen, een rondje van een halfuur te rijden om de accu weer op te laden, te koken, de was van de lijn te halen, nogmaals te strijken, eten en weer naar de basisschool voor de eindschoonmaak, waartoe ik me ook verplicht voelde….


Dit was pas maandag, nog vier dagen deze week. Ik kan het!

donderdag 17 april 2014

Prinsessenhaar

Voor ik deze blog begin is het misschien goed om nogmaals, wellicht ten overvloede, te vermelden dat mijn dochter het liefst een jongetje wil zijn. Eerder kon u al lezen dat zij structureel weigert om rokjes te dragen. Zij identificeert zich in haar spel altijd met een jongetje. Zij speelt niet met poppen en dergelijke, kinderwagentjes blijven hier in de gang geparkeerd staan. Als we televisie kijken is ze altijd Aladdin in plaats van Jasmine, of Tarzan in plaats van Jane. En de laatste tijd gaat zij door het leven als generaal Chang (de mannelijke held uit Mulan). Ze wil geen speldjes, staartjes of wat dan ook in haar haartjes en dat is dan gelijk de bron van het volgende verhaal.

Hopeloos geworden van de coupe van mijn dochter, die ik niet mag kammen of wat dan ook en dus altijd piekerig hangt, besloot ik dat het dan maar tijd was voor rigoureuze stappen. Haar haartjes zo kort mogelijk laten knippen. Ze moest natuurlijk nog wel een meisje blijven, maar de schaar mocht er wat mij betreft flink in. Omdat ik zelf ook toe was aan een knipbeurt togen dochter en ik woensdagmorgen jongstleden samen op de fiets naar de kapper.
Mijn mededeling over wat we gingen doen, werd niet met bepaald met gejuich ontvangen. Niet dat zij bang is van de kapper, maar het vooruitzicht dat er weer een kam door haar haar zou worden gehaald, was niet aantrekkelijk. Er was redelijk wat overredingskracht van mijn kant voor nodig om haar de kapsalon binnen te krijgen, maar uiteindelijk lukte het door te zeggen, dat we stoere meidenharen gingen knippen.

Dat ze het er nog niet helemaal mee eens was, bleek wel uit haar houding in de kappersstoel. Normaal houdt ze geen 5 tellen haar mond, maar nu keek ze strak voor zich uit en haar lipjes werden dicht op elkaar geklemd. De kapster kon vragen wat ze wilde, maar Yfke gaf geen antwoord. Zo verliep het knippen eigenlijk prima, totdat de kapster iets te enthousiast kamde en met een lichte vorm van geweld probeerde om een klitje uit het haar te kammen. Dat deed een beetje zeer en Yfke begint te huilen. Het begon eerst heel subtiel met zachte snikken, maar werd algauw luider. De andere klanten keken al eens verstoord of medelijdend onze kant op, maar Yfke zette door. Al brullend riep ze om haar Tapataa (Bumba), verzon ze het smoesje dat ze naar de WC moest, maar vanaf nu was het voor de kapster een drama om haar nog verder te knippen. Mevrouw wilde niet meer in de stoel, maar bij mama op schoot. Hield haar hoofd niet meer goed, zodat de kapster zich in allerlei bochten moest wringen om nog fatsoenlijk te kunnen knippen. En ondertussen huilde ze maar door. Al huilend werd ze verder geknipt.

Maar het absolute hoogtepunt van het verdriet was nog niet bereikt. Een andere kapster die medelijden met mijn kleine meisje begon te krijgen, probeerde haar heel vriendelijk op te beuren. Ze liep naar de stoel toe en zei: ‘Je bent bijna klaar liefje, je hebt nu hele mooie prinsessenharen!

FOUT!

Nu gingen alle registers open. Als men in die kapsalon dacht dat ze eerder zat te brullen, dat was niets vergeleken bij wat er nu aan geluid uit het vrouwtje kwam.
Al snikkend verstond ik: ‘ik ben niet een prinses, ben generaal Chang!’ De arme kapster die niet begreep wat ze fout had gedaan, keek mij dan ook niet begrijpend aan.

‘Sorry,’ verklaarde ik, ‘maar je hebt zojuist het ergste gezegd, wat je maar tegen haar kunt zeggen, ze wil absoluut geen prinsesje zijn, ze is generaal Chang.’


Arme goedbedoeldende kapster…

leraar, ook elke dag anders II

Feedbackscan


Bij ons op het werk is het gebruikelijk dat je een keer in de zoveel tijd eens kritisch naar je eigen functioneren kijkt. Omdat wij zelf niet helemaal als objectief worden beschouwd wat betreft onze handelingsbekwaamheid, worden we daarin bijgestaan door onze teamleider. Onlangs had ik ook weer eens een voortgangsgesprek en naar aanleiding daarvan heb ik maar weer eens een 360 graden feedbackscan uitgezet om inzicht te krijgen in mijn eigen handelen.
Dit klinkt nu net of ik verschrikkelijk professioneel ben, maar dat valt reuze tegen. Ik zal even toelichten wat er vanmorgen in mijn lessen plaatsvond.

Ik ben de gelukkige docente die dit jaar mentor is van klas 3HE. Mijn geluk bestaat eruit dat ik dit stel schatjes iedere donderdag een blokuur en een los uur voor mijn neus zie verschijnen. Omdat zij het niet waarderen als ik drie uur geschiedenis geef (snapt u het?) moet ik af en toe creatief omgaan met de zogenaamde zelfstandige werkuren of het mentoruur, omdat er soms gewoon niet te mentoren of te zelfstandig werken valt. Na een uur geschiedenis moet ik dan zelf maar bedenken wat ik ga doen om deze lestijd op te vullen. Vanmorgen leek het mij een goed moment om eens een aantal mentorschatjes lastig te vallen met mijn feedbackscan.

‘Jongens, wie wil mij even helpen? …het blijft te lang stil ...’Niet allemaal gelijk zo enthousiast!’ (verbeeldt u een cynische ondertoon). ‘Wat moeten we doen mevrouw? Want als ik voor u naar boven moet lopen, daar begin ik niet aan, dit is het tweede uur, ik ben nog niet actief,’ meldt leerling L die vooraan mijn bureau zit. Hij is blij met de afleiding, maar hij herinnert zich een vorige keer dat ik deze vraag stelde, toen ik hem vervolgens naar boven stuurde om even voor mij iets te kopiëren in de mediatheek.
Hier moet ik voor de (met mijn klasje) onbekende lezer even aan toevoegen dat L en zijn medeleerling J, altijd samen vooraan bij mijn bureau gaan zitten om heerlijk met mij te ouwehoeren. Samen zijn zij net de twee oude mannetjes uit de muppets en zij hebben ontdekt dat ik dol ben op onzin en dan een groot deel van de les mee klets. Zo proberen zij bewust onder de werktijd uit te komen. (en ik trap er iedere keer in…)

‘Nee L, je hoeft niet te lopen, ik zoek een paar mensen die voor mij een feedbackscan willen invullen.’ ‘Een wat, mevrouw?’ ‘Een feedbackscan jongens, dat is een digitale vragenlijst die ik je toe stuur over de mail en dan moet je even 67 vragen beantwoorden over hoe ik functioneer als docent.’

’67?!’ is de reactie van leerling G, hij ziet een barrière.  ‘Ehh ja,’reageer ik,  ‘maar dat zijn meerkeuze vragen, je bent waarschijnlijk zo klaar.’ Het kost mij even wat overtuigingskracht, maar uiteindelijk vind ik er toch een stuk of 7 bereid om voor mij die scan in te vullen.
Leerling L weer: ‘Mevrouw, wat zijn dat voor vragen?’
Leerling A: ‘Mevrouw, moeten we die vragen eerlijk beantwoorden?’
‘Uiteraard alleen als dat in mijn voordeel is’, knipoog ik haar toe. ‘Ik moet hem zelf invullen, jullie en ook mijn collega’s doen dat voor mij. En als het goed is krijg ik dan een goed beeld van mijn sterke en zwakke punten.’
‘O, mevrouw, laat eens zien hoe dat eruit ziet dan?’ Leerling L begint er zin in te krijgen of probeert zoals gewoonlijk mij van de lesstof af te brengen. Het zal dat laatste wel weer zijn.

Omdat ik ook de beroerdste niet ben (en de geschiedenisles al achter de rug is), open ik de scan voor mijzelf en begin de stellingen voor te lezen. Het begint met vragen over mijn pedagogische competentheid. Nu zijn de reacties natuurlijk niet van de lucht.  De bedoeling is dat ik voor mijzelf aangeef hoe hoog ik vind dat ik scoor op bijvoorbeeld deze stellingen:
- ik ben in staat om iedere leerling afzonderlijk aandacht te geven               
- leerlingen voelen zich veilig om zichzelf te uiten in mijn klas
Etc etc.
Terwijl ik dit voorlees, staan mijn mentorschatjes met zijn allen rond mijn bureau en zijn zeer gewillig bezig om mij te beoordelen, met de nodige knipogen zijn zij nog best positief. 
U begrijpt dat de leerlingen en ik deze scan op dit moment bijzonder serieus invullen. Tot opeens de volgende stelling komt:
- Leerlingen durven met hun problemen naar mij toe te komen. Er wordt heel even nagedacht over wat moeten ze nu zeggen moeten en dan breekt L op zijn eigen droge manier de spanning:

 ‘Mevrouw, ik zit hier tóch?’ zichzelf beschouwend als een groot probleem.


Heerlijk doe mij een klas vol van dit soort problemen!

maandag 31 maart 2014

De bloemetjes en de bijtjes

Hoe we er helemaal precies opkwamen, ben ik vergeten, maar tussen het boterhammen smeren en thee zetten door heb ik vanmorgen even de voortplanting uitgelegd aan mijn oudste zoon. Wat ik nog wel weet is dat we het hadden over de keizersnede van een koe, dat hebben we gisteren namelijk op een kleine 2 meter afstand live aanschouwd. Maar hoe we nou uiteindelijk bij hét door alle ouders gevreesde onderwerp aankwamen, weet ik niet meer. Via de wonderlijke gedachtekronkels van mijn oudste zoon zijn we opeens beland in het verhaal van het zaadje en het eitje.  (en wat hoor ik dan opeens mijn eigen moeder door mij heen praten, want die legde het precies zo uit).

Goed, vanaf het begin dan maar. Gisterenmiddag waren we uitgenodigd voor de verjaardag van kleinbehuisde vrienden. Dat kleinbehuisd is van belang, want dat was de reden dat wij op de boerencamping van de zus van het feestvarken belanden. Een gouden zet van jarigen, want alle meegebrachte kinderen konden zich heerlijk uitleven op het erf. Behalve dan bij dat ene stukje van de stal, waar een koe aan het kalveren was. Het was er blijkbaar een goede dag om te kalveren, want dit was al koe nummer drie en binnen een uur startte ook koe nummer vier. De veearts reed af en aan, want iedere koe moest met een keizersnede bevallen, daar de kalveren te groot waren voor de normale route.
Christoph en ik waren net bij de paardenstal geweest en liepen terug, toen ik door een open deur een pasgeboren kalfje zag liggen, nog helemaal onder het slijm, dus wij glipten even naar binnen. Om de hoek troffen wij de veearts aan, die net de ingewanden en de baarmoeder van de koe weer in het overdwars opengesneden dier stond te proppen. Ik verwachtte enige walging van de kant van Christoph, maar het interesseerde hem niet zoveel. (De cavia’s in de aangrenzende ruimte waren leuker!)

Ik verwachtte van Arjen meer interesse, dus liep ik weer naar voren en plukte hem uit het springkussen: ‘Wil je zien hoe een kalfje geboren wordt?’  Ja, dat wilde hij wel en dus toog ik met mijn andere zoon terug naar de stal. Maar om een anders te lang wordend verhaal korter te maken… vanmorgen vond het hierna volgende gesprek plaats. Ik: ‘Ga je het nog op school vertellen van het kalfje?’ Tussen twee happen door informeert hij met volle mond nog of het kalfje een stier was. ‘Dat weet ik niet jongen, is dat belangrijk?’‘Ja,’ antwoordt hij, ‘want als het een stier is dan maken ze het dood, want daar heb je niets aan. Die geven geen melk.’ ‘Nee, dat is waar, maar dit zijn vleeskoeien, dus ook als het een stier is, heb je er wat aan, want die laat je lekker dik worden en dan slacht de slager hem en kunnen wij er weer vlees van kopen.’ (Sorry vegetarische lezers, dat doen wij…). ‘En’, vervolg ik mijn verhaal, ‘zonder stieren heb je ook geen kalfjes, want de stier moet eerst met een koe vrijen (bij het woord vrijen hoorde ik de echo van mijn moeder de eerste keer) om kalfjes te kunnen krijgen.’ Deze informatie wordt verwerkt en dan volgt zijn conclusie: ‘dus een stier en een koe moeten eerst lekker vrij in de wei lopen voor er kalfjes komen?’ Dat bedoelde ik natuurlijk niet en misschien heeft hij mij maar half verstaan, al kauwend op zijn boterham.
 
Ik besef dat ik me nu in de nesten hebt gewerkt en moet dus doorzetten. ‘Nee’, zeg ik, ‘om een kalfje te krijgen moeten de zaadjes (het ik-ben-net-als-mijn-moedermoment 2) van de stier, die zitten in zijn ballen (dat kent hij) en de eitjes (het ik-ben-net-als-mijn-moedermoment 3) van de koe bij elkaar komen…’O, dus een koe legt eieren,’ onderbreekt hij mijn toch al enigszins moeizame betoog. ‘Nee,’ vervolg ik dapper,  ‘en dat gebeurt doordat de stier zijn piemel in de koe steekt.’ En ik maak hierbij een gebaar dat ik geleerd heb van mijn eigen leerlingen, met mijn ene wijsvinger, die ik door het rondje steek dat ik met duim en wijsvinger van de andere hand heb gemaakt. ‘O, dus de piemel van de stier gaat in de koe.’ Hij begrijpt mijn visuele ondersteuning. ‘Juist’, zeg ik, ‘en dat noem je vrijen, zo krijg je kalfjes… of kindjes.’ Ik verwacht nu een stortvloed aan vragen, maar dat blijft uit.


Dussss, de eerste hobbel in de seksuele opvoeding is genomen. Dit gegeven gaat nu vast in zijn koppie aan het malen, ik wacht de vragen die gaan komen wel af. En ik hoop dat nu hij eenmaal van de hoed en de rand afweet, hij zijn broer en zus ter zijner tijd wel informeert. Mijn taak zit er op! Hoop ik dan…

zondag 9 februari 2014

Over sukkels, soepkippen en dikkoppen.

We worden er hier momenteel doodmoe van; Christoph is van het verbaal en fysiek geweld. Van ’s morgens vroeg tot we hem eindelijk met goed fatsoen in bed kunnen parkeren, is Chris aan het duwen, meppen, trekken en schoppen tegen zijn broer (dat kunnen we soms nog stoeien noemen, als het wederzijds is) of liever nog tegen zijn kleine zus (want die kan hij hebben en vindt hij vreselijk vervelend). Het gaat hier hard tegen hard en niet alleen fysiek. Sinds Chris naar school gaat is hij ook de trotse eigenaar van een heel arsenaal scheldwoorden. Het varieert van het redelijke onschuldige ‘soepkip’ en ‘oelewapper’ tot de hardere varianten als ‘sukkel’ en alles verlengen met ‘k-u-t’. Toen wij afgelopen vrijdag door de regen naar huis fietsten was het opeens ‘kutweer’ en zijn zusje is geregeld een ‘kutzusje.’ Nu is ‘kut’ sowieso al een naar woord, maar uit de mond van een ventje van vijf is het helemaal triest, dus als moeder wil je aan het gebruik van een dergelijk vocabulaire rap een einde maken.

Maar ik zal het eerlijk toegeven, ik loop een beetje spaak bij mijn pogingen om het taalgebruik van mijn tweede zoon aan te passen. Ik heb nu toch zo’n beetje al mijn pedagogische vaardigheden in de strijd gegooid, het probleem zowel positief als negatief benaderd, andere (aangenamere) woorden aangeleerd, boos worden, humor toegepast. Ik weet het niet meer. Afgelopen woensdag heb ik hem ondersteboven gehouden en alle lelijke woorden eruit geschud (hij riep een woord en ik schudde hem om het woord uit zijn hoofd te schudden). Dikke lol natuurlijk, maar donderdag hoor ik weer een hele serie krachttermen voorbij komen. Op mijn vraag hoe dat nou kan: ‘we hebben al die lelijke woorden er toch uit geschud?’ antwoordt hij doodleuk: ‘Ik heb ze gelijk weer opgeraapt toen ze op de grond vielen.’ Een diepe zucht mijnerzijds was hier wel op zijn plaats.
Dus nu ga ik over tot het ergste wat ik kan doen…ik beperk Christoph in zijn beeldschermtijd.

Als wij niet uitkijken zit ons Chrisje namelijk liefst heel de dag achter een beeldschermpje. Maakt niet uit wat. DVD, laptop, WII, smartphone of sinds kort ook de Nintendo DS. (En dan kun je zeggen, daar ben je als ouder toch zelf bij, maar verbied maar eens een kind om te kopen waar hij al tijden voor gespaard heeft). Zodoende zijn de heren de trotste eigenaren van twee DSjes. En wat betreft Arjen is dat geen probleem, die vindt het leuk als hij er mee mag spelen, maar ook prima als de tijd voorbij is. Zo zou het in de ideale wereld moeten zijn, kinderen die gewoon luisteren en niet met je in discussie gaan over hun ‘beeldschermtijd.’ Maar de oplettende lezer voelt hem alweer aankomen, deze ideale zoon (in dit opzicht dan hè? Hij heeft weer andere gebreken.) heeft een minder ideaal broertje. Christoph is zeer, maar dan ook zeer verbolgen als ik aangeef dat het apparaat in kwestie uit moet. Ook al hebben we van te voren een positie van de wijzers op de klok afgesproken, op de betreffende tijd, wordt Chris altijd boos. Dit gegeven ga ik nu dan maar in de strijd gooien om zijn vocabulaire aan te passen. Vanaf dit weekend moet hij zijn beeldschermtijd verdienen en dat kan alleen door niet te schelden op alles en iedereen. En uiteraard liet het niet lang op zich wachten, vanmiddag was de eerste echte confrontatie. Na twee keer gewaarschuwd te hebben: ‘Christoph, niet zo lelijk doen, anders mag jij na het eten niet op je DS,’ voegde ik bij de derde overtreding van ons huisgebod ‘gij-zult-niet-schelden’ de daad bij het woord en vertelde hem dat er van DS-en geen sprake meer kon zijn na het eten.

De eerste reactie van Christoph is dan altijd pure drift, er wordt gegooid met van alles en vervolgens gaat hij intens verdrietig op de bank liggen kermen. Wij zijn hier inmiddels aardig immuun voor tranen en negeren dit gedrag dan ook volledig. Maar na een minuut of tien gekermd te hebben, gebeurt er opeens iets heel verrassends. Christoph begint het spelletje dat net door de kamer vloog keurig op te ruimen, vervolgens worden alle kussentjes op de bank opgeschud en netjes in de hoekjes gelegd. Hierna vouwt hij de plaid op en drapeert die keurig over de leuning van de stoel. ‘Mama, zal ik deze knuffels even boven leggen, die horen hier niet toch?’ Daarna gaat hij de jas en schoenen van zijn vader opruimen, die lagen er ook nog. Hij controleert of er nog andere dingen liggen die opgeruimd kunnen worden en begint daarna met het rechtzetten van de boeken in de kast. Vanuit de keuken maak ik Frank opmerkzaam op het charmeoffensief dat onze zoon begonnen is. Als hij echt geen enkel klusje meer kan vinden, komt hij met zijn liefste smoeltje naar de keuken: ‘Mama, is alles zo weer mooi opgeruimd? Dat heb ik alleen gedaan en niet Arjen.’ Voor de duidelijkheid vermeldt hij dat gegeven er nog even bij. Stel je voor dat ik dat denk! ‘Fijn hoor Chris, dank je wel,’ reageer ik, daar word ik erg blij van. ‘Heb ik dan nu nog een kans, mag ik misschien nog op mijn DS?’ Hoopvol kijkt hij mij aan met zijn reebruine ogen. Wat mij betreft mag dat best nog even na het eten, maar ik ga nog wel even proberen om zoveel mogelijk rendement uit deze situatie te halen: ‘Dat weet ik nog niet hoor, jij hebt teveel lelijke woorden gezegd, misschien als je zo meteen netjes aan tafel blijft zitten tijdens het eten en je bord keurig leeg eet.’ Nog zo’n heikel punt, maar ik ga nu voor de volle winst. En ook dat gebeurt vlekkeloos, alle broccoli gaat tot het laatste stronkje op…Yes! Ik win!

Dus beloofd is beloofd. We spreken en af dat hij tot zeven uur op zijn DS mag, met daarbij nog wel de opmerking dat we morgen weer op dezelfde manier aan de slag gaan. ‘Je moet het verdienen.’ Christoph gaat met alles akkoord en stort zich vol overgave op Super Mario. En dan opeens is het vijf voor zeven. Ik maak de mannen attent op de klok, ze horen mij allebei en weten dat het einde nadert. Om zeven uur zet Arjen zijn DS uit en gaat naar boven (hij lijkt nu een hele brave borst, het is ook weleens anders). Zo niet Chris. Chris vertikt het en gaat er vandoor. Met zijn tweeën zetten we hem klem tussen de bank en de muur en Frank tilt hem op en zegt: ‘Wat zei mama nou net over de DS?’ Als antwoord daarop geeft Chris weer even een demonstratie van zijn uitgebreide vocabulaire: ‘stomme rot mama.’


En jahoor, we kunnen weer van voor af aan beginnen…iemand nog suggesties?

zondag 15 december 2013

De állerbelangrijkste vraag.

Wij zijn sinds Sinterklaas weer begonnen met bijbel lezen na het eten. Omdat na de peuterbijbel nu ook de kinderbijbel uit was, was ik al een poosje op zoek naar een leuk dagboekje dat geschikt was voor alle drie onze kinderen. Het bijbel lezen was er dus al een tijdje bij in geschoten. Gelukkig had Sinterklaas (lees: het evangelisch centrum Sleeuwijk) wel een geschikt boekje om op een eenvoudige manier wat basisbijbelkennis over te brengen. Lees je mee, met Bijtje B. Het is een leuk boekje dat een kort stukje uit de bijbel vertelt in taal voor jonge kinderen met een echte bijbeltekst die daarbij hoort. Daarnaast staan er vaak luistervragen of korte opdrachtjes of een liedje en een gebedje bij. Zo zijn wij een minuut of tien zoet met de min of meer ‘stille’ tijd van onze kinderen.

Ze vinden het zo leuk dat ze vaak ’s morgens bij het ontbijt het boekje al pakken en Arjen leest dan het verhaaltje van die avond al voor, of er wordt teruggegrepen op favoriete stukjes die we al eerder hebben gelezen. Vooral het verhaal van Noach is favoriet, daar zat een opdrachtje bij dat nogal populair is. De kinderen mochten allerlei dieren na doen die in de Ark gingen. Arjen deed met veel gebrul de leeuw na, Christoph kreeg het varken, wat hij meesterlijk na kan doen (het is jammer dat je hier geen geluid aan kan toevoegen, vraag hem er maar eens naar, je komt niet meer bij) en Yfke deed een vogel na. (‘Yfke wat doet de vogel?’ Het kind antwoord in alle onschuld: ‘vlieg, vlieg, vlieg…’). Vaak vergeet ik Yfke bij het vragenrondje of heb ik de vragen al aan haar broers gesteld, omdat ik ze dan te moeilijk vind voor haar. Dat staat haar dan totaal niet aan en meestal herinnert ze mij er dan even aan dat ik haar nog een vraag moet stellen. Ik stel dan eigenlijk altijd dezelfde vraag: ‘Wie zorgt er heel goed voor jou?’ En keurig antwoord het blonde poppetje dan: ‘De Hele God.’ Vervolgens kunnen we dan van tafel.

Meestal is het Arjen die voorleest, die kan natuurlijk ook echt lezen en gestructureerd als Arjen is, leest hij ook braaf precies zoals mama dat altijd doet. Maar vanavond verliep het anders. Christoph had het boekje te pakken en hij ging ons weleens even de wat ‘moeilijke’ vragen stellen. Eerst kwamen de vragen die hij mij de afgelopen weken heeft horen stellen. Daar ging hij: ‘Eerst een makkelijke vraag, papa, wie heeft de bomen gemaakt?’ En Frank antwoord braaf: ‘De Here God.’ Hij gaat verder met het kringetje: ‘Arjen, wie maakte de mensen?’ Ook Arjen antwoord correct: ‘Dat was ook de Here God.’ Vervolgens is Yfke aan de beurt. Christoph past de vraag keurig aan op ‘niveau Yfke’ en hier blijkt dat ook Christoph toch wel iets opvangt van wat ik zeg: ‘Yfke, wie zorgt er goed voor jou?’ Het meisje antwoordt keurig en we denken nu klaar te zijn en van tafel te kunnen.

Ik begin de papschaaltjes op te stapelen om die naar de keuken te brengen en wil net opstaan van tafel als Christoph ingrijpt: ‘Wacht eens even’, zegt het ventje, ‘we zijn nog niet klaar, ga maar weer zitten, we maken het even af.’ Zwaar onder de indruk van de berisping van een mannetje dat zelf niet eens tijdens het eten op zijn stoel kan blijven zitten, zak ik weer terug op mijn stoel. Terwijl hij door het boekje heen bladert en net doet of hij kan lezen zegt hij: ‘Nu komt de állerbelangrijkste vraag!’ Ik zet me al schrap, want ik ben nog niet aan de beurt geweest, welke levensvraag zal mij te beurt vallen? Ik vrees met grote vreze. En dan komt het, hij haalt adem, kijkt mij aan en vraagt:


‘Mama, waarom lopen de koeien in de wei?’


zaterdag 14 december 2013

Galliërs, Galileeërs en Geallieerden…

Keer op keer blijkt weer dat geschiedenis een moeilijk vak is, waar veel te vaak te makkelijk over gedacht wordt of wat algauw wordt afgeschreven als onbelangrijk als de betreffende persoon geen interesse heeft. Mijn mooie vak is (helaas) wel een populair examenvak, omdat je het er in iedere sector gewoon bij kunt nemen als achtste vak (‘da’s niet zo moeilijk’) of gewoon omdat je nog te weinig in je pakket hebt en dan neem je toch lekker geschiedenis (‘ik moet toch wat?’). Het lot van een geschiedenisdocent in 4 VMBO is dat je met een klas vol mensen zit, die het vak er maar bij genomen hebben en een enkele geïnteresseerde leerling, laten we hem vooral koesteren. (waarom zijn dat meestal jongens?) En dan is het hard werken om al die gebeurtenissen en begrippen in die koppies te krijgen en er ook nog een zekere vorm van chronologie in aan te brengen. Om over inzicht in oorzaak en gevolg nog maar te zwijgen. Jaarlijks wordt bij mij tijdens de tentamens de Berlijnse Muur door Josef Stalin zelf gebouwd. (dat kan niet, Stalin is dan allang naar gene zijde) en heet de Koude Oorlog zo, omdat het plaats vond in de winter…

Maar laat ik eerlijk zijn het valt ook allemaal niet mee. Al die jaartallen, namen, plaatsen, gebeurtenissen, je moet het maar kunnen onthouden. Voor veel leerlingen is het vaak een gevalletje ‘klok-klepel’, Ze hebben de klok wel gehoord, maar waar die klepel hangt…Joost mag het weten.
Net toen ik dacht dat ik de meest gangbare fouten en hardnekkige vergissingen allemaal wel kende, creëren mijn vriendin en een leerling onafhankelijk van elkaar weer een nieuwe: de verwarring der volksstammen. Het lijkt ook allemaal zo op elkaar: Galliërs, Galileeërs en Geallieerden. Tijdens een wandeling met vriendinnen in Soest lopen we langs een straatnaambordje met de naam van Generaal van Heutsz. Omdat de ene vriendin wil weten wie dat ook al weer was, geef ik een kort geschiedenislesje, waarbij het er uiteindelijk op uitdraait dat de tweede vriendin ons land in 1945 laat bevrijden door de Galliërs. Zij verwart de Geallieerden met de Galliërs, ook hier een gevalletje klok-klepel. (Het voert te ver om dat hele verhaal hier ook weer te geven, ik heb de boel gladgestreken en haar kennis opgevijzeld, dus ik ga verder).


U als kundige lezers begrijpt natuurlijk niet dat hier verwarring over mogelijk is, dat zijn toch duidelijk drie verschillende groepen. Even ten overvloede: De Galliërs, een volk ten tijde van het Romeinse Rijk woonachtig in het huidige Frankrijk, voornamelijk bekend door de stripheld Asterix. De Galileeërs, die komen op een christelijke school ook nogal eens voorbij, zelfde tijd, maar leven in een heel ander gebied, namelijk om en nabij het meer van Galilea in Israël. En dan tot slot de Geallieerden, die verschijnen pas in de twintigste eeuw letterlijk op het strijdtoneel als wij hier in Europa na een schietincident in Sarajevo op 28 juni 1914, besluiten om elkaar de oorlog te verklaren.

U wist dit allemaal, ik verwacht niet anders. Zo niet de arme VMBO leerling. Het arme puberbrein kan maar zeven dingen tegelijk onthouden en dan liefst datgene wat hij/zij belangrijk acht, de rest wordt als overtollige bagage ergens in een hoekje van de grijze massa gestopt en zo af en toe als zij menen een woord te herkennen komt het naar boven. Dit was vorige week het geval met het woord Geallieerden of was het nou Galileeërs? Ik leerde hier na de Galliërs van mijn vriendin een tweede variatie op Geallieerden.

Ik sta mijn uiterste best te doen om aan 3VMBO uit te leggen wat de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog zijn. Met duidelijk beeldmateriaal en kaartjes van Europa vertel ik ze het volgende: ‘Dames en heren, rond 1914 bestaan er in Europa twee grote bondgenootschappen’. De Triple Entente en de Triple Alliantie. De ervaring heeft mij geleerd dat ik dat er beter niet bij kan vertellen en dus geven we ze namen die makkelijker te onthouden zouden moeten zijn. Ik vervolg mijn verhaal: ‘Die noemen we de Centralen en de Geallieerden. Kun je op de kaart aangeven welke landen volgens jou bij de Centralen zouden kunnen horen?’ Ergens durft een fanatiekeling er voor uit te komen dat ie zijn huiswerk bestudeerd heeft en roept het goede antwoord door de klas: ‘De Centralen zijn Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië, mevrouw.’ Er horen er nog wel een paar bij, maar hier neem ik genoegen mee. Ik ben een grote voorstander van het onderwijsleergesprek en vraag gelijk verder: ‘Waarom zouden we dat bondgenootschap nu de Centralen hebben genoemd?’ Dit is een lastigere vraag, want het is niet in het boek te vinden, een aantal mensen zoekt tevergeefs terwijl het merendeel druk aan het nadenken is over de smoes die ze het volgende uur gaan gebruiken als ze moeten uitleggen waarom hun nask (sorry, vakterm: natuur-en scheikunde) huiswerk niet af is. (Dat proberen ze namelijk stiekem nu in mijn les te maken, maar ik ben zo flauw geweest om die boeken weg te halen…)

Het blijft stil en leerlingen staren naar hun tafel in de hoop dat ze geen beurt van mij krijgen, maar helaas zo flauw ben ik wel, dus degene die zich het best verstopt is de klos. Mijn arme slachtoffer heeft geen idee, dus leg ik uit dat de naam komt vanwege de ligging van deze landen: centraal in Europa. Een enkeling noteert dit gegeven. Maar dan de volgende vraag: ‘Welke landen horen er bij de Geallieerden?’  Dezelfde fanatiekeling van daarnet had deze vraag al verwacht en reageert snel: Engeland, Frankrijk, Rusland en later Amerika.’ Ook dit is het basisantwoord waarop uitbreiding mogelijk is, maar ik doe het ervoor. Maar nu ontstaat er onrust links halverwege het lokaal. Er is verwarring, leerling A probeert leerling B iets duidelijk te maken. Als dat niet lukt schieten leerling C, D en E, die er om heen zitten in de lach en wordt A afgeserveerd vanwege haar haarkleur: ‘hoezo blond!’ roept C. ‘Natuurlijk niet, dit is bij Jezus joh!’ Ik ben erg benieuwd wat Jezus te maken heeft met mijn verhaal over de Eerste Wereldoorlog. VMBOers maken vaak de meest fantastische gedachtesprongen. Enigszins rood geworden stelt A haar vraag aan mij: ‘Mevrouw, die Galileeërs, dat snap ik niet, die horen toch bij Jezus en die is toch allang dood in 1914?

Ik probeer niet te overduidelijk te zuchten en wil niet gelijk al te wanhopig overkomen, dus geef ik een, hoop ik, simpel antwoord: ‘Je haalt twee groepen door elkaar schat, de Galileeërs, bekend uit de bijbel en de Geallieerden.’ Jahoor, daar hebben weer een gevalletje klok-klepel.  ‘O, reageert ze,  ‘weet ik veel, u leert ons veel te veel namen.’


Lekker dan, als docent heb je het ook altijd gedaan…