zaterdag 6 augustus 2016

'Familie'pap


Het is vakantie (voor de kinderen dan, hè) en om mij te ontlasten is Frank zijn moeder, ook wel bekend als mijn schoonmoeder, niet te beroerd om af en toe een kleinkind te logeren te krijgen. Tot dusver ging meestal alleen Arjen uit logeren, want de laatste keer dat we het met Christoph probeerden kon ik hem halverwege de avond komen halen omdat hij zich ‘niet lekker voelde’. Wat overigens over was op het moment dat we in de auto naar huis zaten…maar dat terzijde.

Maar goed vorige week is Arjen twee dagen bij oma geweest en deze week was Christoph aan de beurt. Het logeren is altijd een hele gebeurtenis, want bij oma mag je zelf kiezen wat er gegeten wordt. Arjen had zijn menu al klaar en toen Christoph belde mocht ook hij zijn wensen kenbaar maken. Frank is inmiddels ook begonnen aan zijn wensenlijstje wat betreft eten, maar als je dat voorkeuzemenu bekijkt dan mag hij wel een week uit logeren gaan, want hij heeft alles opgeschreven ‘wat zijn moeder thuis altijd maakte’ en wat hij dus al bijna 14 jaar moet ontberen sinds hij met mij getrouwd is. Ik noem bijvoorbeeld; bruine bonen met sla en aardappels, jachtschotel, ratjetoe, een lekker visje…hij komt hier blijkbaar een hoop tekort.

Zelfs de toetjes blijken bij oma beter, want toen Arjen terugkeerde van de logeerpartij merkte hij tegen mij op dat ik een keer de pap moest kopen die oma had. Vanilleyoghurt. Door Yfke verbastert tot ‘familie’yoghurt. ‘Ja mama, dat is echt heel erg lekker! Die had oma de vorige keer dat ik er was ook!’
Dus, goede moeder als ik probeer te zijn, koop ik tijdens mijn eerste bezoekje aan supermarkt een pak Optimel vanilleyoghurt (0% vet en geen suiker, want dat mag niet van Sonja Bakker). ’s Avonds, na de ongetwijfeld minder smakelijke maaltijd dan de heren gewend zijn van oma te krijgen, serveer ik vol trots het toetje: vanilleyoghurt. ‘Mama, dat is niet de goede, oma heeft vanilleyoghurt van Den Eelder. Daar zie je zwarte spikkeltjes in en dat zijn volgens oma restjes van het vanillestokje en daarom smaakt het zo goed.’ ‘Tja jongen, ze hadden bij de Nettorama alleen deze en het huismerk, dus ik heb deze van Optimel meegenomen, want die mogen papa en mama ook van Sonja, proef nou eerst maar,’ is mijn respons aan mijn tienerzoon. Ik proef zelf een duidelijke vanillesmaak en beoordeel deze pap als prima, maar volgens de beide heren is dit niet te vergelijken, die van oma is echt lekkerder. Tja helaas niets aan te doen. Den Eelder is in Gorinchem niet te verkrijgen.

Het tegendeel blijkt waar! Door samenloop van omstandigheden deed ik gisteren geen boodschappen bij ons in Oost, maar kwam het beter uit om even in het Piazza de boodschappen te halen. Met alledrie loop ik door de Jumbo en bij het passeren van de zuivelafdeling hoor ik een vreugdekreet van Arjen. ‘Kijk, mama, hier hebben ze hem wel, Den Eelder vanilleyoghurt, net als die van oma!’ ‘Ja’, valt Christoph hem bij, ‘deze heeft die zwarte spikkeltjes, daarom is hij extra lekker.’ Ook Christoph blijkt al gehersenspoeld door oma. ‘Ja lekker, Den Eelder familiepap,’ piept Yfke er bovenuit. Wat ronduit belachelijk is, want Yf is nog niet wezen logeren…dus die heeft het verschil nog niet aan den lijve ondervonden…Zonder dat ik er iets over te zeggen heb, belandt het pak pap in mijn winkelwagentje.

Diezelfde avond laat kom ik terug van een bezoekje aan vriendinnen en tref ik in de gootsteen vier lege papschaaltjes aan. Even gluren in de koelkast bevestigd mijn vermoeden; pa heeft met zijn zonen en dochter lekker geslobberd van een bakje Den Eelder vanilleyoghurt terwijl ik weg was en erger nog, de Optimelpap was nog niet eens op! Zomaar een nieuw pak aangebroken en met zijn allen zitten smikkelen. Yfke zat er dus niet ver naast met haar ‘familiepap’.

Misschien moet ik ze allemaal maar een weekje bij oma in de kost doen, dan heb ik echt vakantie en zij een lekker toetje!

'Familie'pap


Het is vakantie (voor de kinderen dan, hè) en om mij te ontlasten is Frank zijn moeder, ook wel bekend als mijn schoonmoeder, niet te beroerd om af en toe een kleinkind te logeren te krijgen. Tot dusver ging meestal alleen Arjen uit logeren, want de laatste keer dat we het met Christoph probeerden kon ik hem halverwege de avond komen halen omdat hij zich ‘niet lekker voelde’. Wat overigens over was op het moment dat we in de auto naar huis zaten…maar dat terzijde.

Maar goed vorige week is Arjen twee dagen bij oma geweest en deze week was Christoph aan de beurt. Het logeren is altijd een hele gebeurtenis, want bij oma mag je zelf kiezen wat er gegeten wordt. Arjen had zijn menu al klaar en toen Christoph belde mocht ook hij zijn wensen kenbaar maken. Frank is inmiddels ook begonnen aan zijn wensenlijstje wat betreft eten, maar als je dat voorkeuzemenu bekijkt dan mag hij wel een week uit logeren gaan, want hij heeft alles opgeschreven ‘wat zijn moeder thuis altijd maakte’ en wat hij dus al bijna 14 jaar moet ontberen sinds hij met mij getrouwd is. Ik noem bijvoorbeeld; bruine bonen met sla en aardappels, jachtschotel, ratjetoe, een lekker visje…hij komt hier blijkbaar een hoop tekort.

Zelfs de toetjes blijken bij oma beter, want toen Arjen terugkeerde van de logeerpartij merkte hij tegen mij op dat ik een keer de pap moest kopen die oma had. Vanilleyoghurt. Door Yfke verbastert tot ‘familie’yoghurt. ‘Ja mama, dat is echt heel erg lekker! Die had oma de vorige keer dat ik er was ook!’
Dus, goede moeder als ik probeer te zijn, koop ik tijdens mijn eerste bezoekje aan supermarkt een pak Optimel vanilleyoghurt (0% vet en geen suiker, want dat mag niet van Sonja Bakker). ’s Avonds, na de ongetwijfeld minder smakelijke maaltijd dan de heren gewend zijn van oma te krijgen, serveer ik vol trots het toetje: vanilleyoghurt. ‘Mama, dat is niet de goede, oma heeft vanilleyoghurt van Den Eelder. Daar zie je zwarte spikkeltjes in en dat zijn volgens oma restjes van het vanillestokje en daarom smaakt het zo goed.’ ‘Tja jongen, ze hadden bij de Nettorama alleen deze en het huismerk, dus ik heb deze van Optimel meegenomen, want die mogen papa en mama ook van Sonja, proef nou eerst maar,’ is mijn respons aan mijn tienerzoon. Ik proef zelf een duidelijke vanillesmaak en beoordeel deze pap als prima, maar volgens de beide heren is dit niet te vergelijken, die van oma is echt lekkerder. Tja helaas niets aan te doen. Den Eelder is in Gorinchem niet te verkrijgen.

Het tegendeel blijkt waar! Door samenloop van omstandigheden deed ik gisteren geen boodschappen bij ons in Oost, maar kwam het beter uit om even in het Piazza de boodschappen te halen. Met alledrie loop ik door de Jumbo en bij het passeren van de zuivelafdeling hoor ik een vreugdekreet van Arjen. ‘Kijk, mama, hier hebben ze hem wel, Den Eelder vanilleyoghurt, net als die van oma!’ ‘Ja’, valt Christoph hem bij, ‘deze heeft die zwarte spikkeltjes, daarom is hij extra lekker.’ Ook Christoph blijkt al gehersenspoeld door oma. ‘Ja lekker, Den Eelder familiepap,’ piept Yfke er bovenuit. Wat ronduit belachelijk is, want Yf is nog niet wezen logeren…dus die heeft het verschil nog niet aan den lijve ondervonden…Zonder dat ik er iets over te zeggen heb, belandt het pak pap in mijn winkelwagentje.

Diezelfde avond laat kom ik terug van een bezoekje aan vriendinnen en tref ik in de gootsteen vier lege papschaaltjes aan. Even gluren in de koelkast bevestigd mijn vermoeden; pa heeft met zijn zonen en dochter lekker geslobberd van een bakje Den Eelder vanilleyoghurt terwijl ik weg was en erger nog, de Optimelpap was nog niet eens op! Zomaar een nieuw pak aangebroken en met zijn allen zitten smikkelen. Yfke zat er dus niet ver naast met haar ‘familiepap’.

Misschien moet ik ze allemaal maar een weekje bij oma in de kost doen, dan heb ik echt vakantie en zij een lekker toetje!

zaterdag 10 januari 2015

Modder

Hoe groot is statistisch gezien de kans dat je een doodlopend polderweggetje inrijdt, jezelf vastrijdt in de modderige berm en vervolgens binnen 15 minuten wordt bevrijdt door een toevallig eveneens nieuwsgierig iemand, die ook net dat weggetje inrijdt om te kijken waar dat weggetje heenleidt? Ik vermoed iets van 0,01 op een schaal van 100 of misschien wel 1000. En toch is dat precies wat mij en de mannen vanmiddag is overkomen.

In de loop van een stormachtige zaterdagmorgen besluiten Arjen en ik dat het perfect weer is om weer eens een aantal geocaches te gaan opzoeken. Online hadden we een leuke wandeling van zo’n zes kilometer gezien met om en nabij de 16 caches en in de directe omgeving nog een paar snelle oppikkers die met de auto te bezoeken waren. Het mocht dan buiten wel hard waaien maar dat weerhield ons er niet van om op pad te gaan. Voor een beetje wind zijn wij niet bang.
Zo gezegd zo gedaan, we probeerden nog om Christoph te ontmoedigen om mee te gaan, maar helaas, hij wilde echt mee.

Dat is ook niet aardig zal de lezer dezes denken, om dat kleine mannetje zijn pleziertje te ontzeggen. Maar het is geenszins plezierig om Christoph mee te nemen op een wandeling. De ervaring heeft ons geleerd dat als je Christoph meeneemt op een tocht die langer duurt van 500 meter, hij onherroepelijk begint te klagen: ‘mama, ik ben moe’, ‘mama, ik heb dorst’, ‘mama ik heb het koud’,  en vul zo verder maar aan. Het is net of je met moppersmurf onderweg bent. De enige manier om Christoph in beweging te krijgen is om hem om de 5 caches een spreekwoordelijke worst voor te houden. Voor chips, koek of snoep wil hij nog wel in de benen komen, en zodoende sjouw ik dus meestal op mijn rug de nodige versnaperingen mee om met Christoph aan de eindstreep te komen. Het is met hem zelfs zo erg dat hij voor we weggaan al checkt wat ik in de rugtas stop, anders blijft hij alsnog thuis. Vandaag had hij gezien dat ik een restje paprikachips in de tas stopte en dus moest en zou hij mee. Hij hield bij hoog en bij laag vol dat hij echt wel in staat was om 6 kilometer te lopen. Arjen zei nog: ‘mama gaat niet terug hoor, we lopen de hele route! Ze laat je gewoon staan als je weer gaat zeuren.’ Arjen kent zijn broertje ondertussen. Maar, nee, hij zou echt lopen. ‘Ik kan toch ook de avondvierdaagse lopen?’ luidde zijn tegenargumentatie. (Maar dat is nauwelijks een prestatie te noemen, met al dat snoep dat onderweg door hem verorberd wordt. Dat is zoveel dat hij niet eens merkt dat hij loopt!
Maar goed, vooruit dan maar weer, hij mag ook mee. Ik ben altijd weer geneigd om het beste in mijn kinderen te zien.

De eerste twee caches zijn snelle oppikkers dus die hebben we zo gelogd, Christoph begint al te informeren naar het moment waarop de versnaperingen genuttigd zullen worden, maar Arjen en ik willen, fanatiek als we zijn, eerst minstens 10 caches gevonden hebben. En dus helaas voor Christoph rijden we de polder in bij Hank om een plekje te zoeken om de auto te parkeren en aan ons rondje te beginnen.

De juiste locatie is snel gevonden. Een doodlopend weggetje met brede bermen om een auto te parkeren en eventueel te keren als de terugweg weer afgelegd moet worden. We rijden naar het eind van het weggetje en stellen de GPS in op het juiste coördinaat. Dat blijkt een 300 meter terug te zijn en dus wil ik terug rijden om daar te auto te parkeren. In zijn achteruit wil ik een stuk terugrijden, maar de weg is erg bochtig en het rijdt niet zo prettig in zijn achteruit. Ik ben echter een beetje huiverig om hier te keren. De berm is wel redelijk breed, maar ook erg modderig en aan beide zijden loopt de berm schuin af richting slootje. Ik heb weinig zin om vast te komen zitten. Achteruit verder rijdend probeer ik de juiste plek te bereiken, maar u voelt hem al aankomen, op gegeven moment gaat dat echt niet meer en waag ik toch de gok om te keren. Achteruit steken is geen probleem, ik heb voorwielaandrijving dus dat is geen punt, de voorwielen blijven op de weg, maar dan moet ik toch vooruit steken om goed te kunnen draaien. En daar gaat het mis! Ik voel mijn  wielen in de modder zakken en hoe meer gas ik geef hoe verder ik mezelf in de bagger vastrijd. ‘Jongens, uitstappen, duwen tegen de rechtervoorkant van de auto,’ commandeer ik mijn ondergeschikten, terwijl ik ze uit de auto jaag. Maar eerlijk is eerlijk. Het zijn wel stoere mannen, maar de kracht van stoere mannen hebben ze nog niet. Ze duwen uit alle macht, maar het mag niet baten. We zitten hartstikke vast op een verlaten doodlopend weggetje in de polder bij Hank. Het miezert en het waait…lekker dan.

Ik probeer zelf nog samen met Arjen om de auto vlot te duwen, maar het is echt geen doen. Toevallig liggen er dwars doorgezaagde boomstammetjes in de berm. We proberen om deze onder de voorwielen te schuiven en hopen daar wat grip op de krijgen. Maar ook die schuiven weg in de modder als ik het gaspedaal indruk.
Helaas.

Ik sta net te overwegen wat nu mijn beste optie is, lopen naar een boerderij of de politie bellen, als er een grote Landrover op mij af komt gereden. Ik zie de chauffeur al lachen achter het stuur. En toeval bestaat niet; deze meneer heeft als hobby het lostrekken van auto’s die in onmogelijke posities zijn beland! En nee dat is geen grap, met een groep vrienden creëert hij bewust dergelijke situaties met oude auto’s, die ze dan half over een afgrond hangen of in een riviertje of weet ik veel. Ze gaan zelfs naar de Ardennen om extra moeilijke situaties te bedenken. Hij wrijft gewoon in zijn handjes dat hij hier nu zo dicht bij huis zijn hobby kan uitoefenen, want ik heb het hem lekker moeilijk gemaakt, gniffelt hij.

Nadat hij een paar keer rond mijn auto heeft gelopen en de omgeving op geschikte sterke bomen heeft onderzocht, haalt hij een trekkabel en zo’n ding om die kabel te spannen uit zijn FourWheelDrive en rijdt alsof het niets is door de zompige berm om aan de andere kant van mijn auto (die immers dwars over de weg staat) te komen. Hij verbindt de beide auto’s met elkaar een geeft mij een paar aanwijzingen hoe ik moet sturen en dan geeft hij gas. Christoph die achterin is geklommen vanwege de regen, kan zich nog net op tijd schrap zetten. Met een flinke ruk trekt onze 4-wiel-aangedreven-redder mijn toyota weer op het asfalt.
Ik bedank hem voor de hulp en hij bedankt mij voor de geweldige uitdaging en het mooie verhaal dat ie zijn vrienden kan vertellen.


Dus met slechts een kleine 20 minuten tijdsverlies kunnen wij weer verder cachen…maar na twee caches begint datgene waar Arjen en ik al voor vreesden. ‘Mama, ik heb het koud, ik wil naar de auto…mag ik chips?’ Inmiddels is het ook flink begonnen met regenen…nee die 16 caches gaan het niet worden vandaag. Maar we hebben wel een goed verhaal om mee thuis te komen!

donderdag 13 november 2014

Insnijden

Een korfbalnono, een korfbalsufferd, dat ben ik waar het de hobby van ons nageslacht betreft. Voor de zekerheid heb ik het woord nog even opgezocht op internet. De site over studententaal bevestigt mijn angstige vermoedens; tussen allerlei andere corpsballenuitspraken vind ik het woord ‘nono’ ofwel: sufferd.

Die uitleg dekt wel aardig de lading die ik tegenwoordig voel als ik langs de lijn sta / op de tribune zit bij een korfbalwedstrijd van mijn oudste zoon. Ik begrijp er werkelijk geen snars van. Vorig jaar ging het allemaal nog wel. Zoon nummer 1 korfbalde bij de F-jes en het belangrijkste in die wedstrijdjes was het verdedigen van het aan jou aangewezen jongetje van de tegenstander en scoren in de juiste korf. Dit kon ik nog wel bevatten en dus voelde ik mij in staat om hem ook af en toe langs de lijn eens een aanwijzing toe te roepen. (‘Arjen, let op je jongetje!’) Als ouder denk je namelijk dat je betrokken moet zijn bij je kind, dus probeer je hem positief te coachen. Dat ik de regels nog niet doorhad bleek al snel toen zoonlief scoorde en ik hem toejuichte en applaudisseerde, maar er door een beter ingewijde ouder op werd gewezen dat het rust was en hij gewoon voor de lol op de korf schoot(dat schijnen ze 3x te hebben in een wedstrijd, 2x een minuut rust en halverwege een langere pauze, wist ik veel...) Maar dat was eigenlijk mijn enige misser vorig seizoen.

Maar nu is het anders, zoonlief speelt inmiddels in de E2 en ik ben de draad volledig kwijt, nu komen er opeens ‘doorloopballen’ en vang ik termen op als ‘ga staan’ of ‘insnijden’. Het begon al met ‘voor de korf’, dat is blijkbaar voor iedereen duidelijk, behalve voor mij. Wanneer ben je voor de korf? Dat ligt er toch maar aan vanuit welke hoek je dat bekijkt?
Dan de doorloopbal, ik dacht dat je niet mocht lopen bij korfbal, maar dat blijkt het ook niet te zijn, het is een bepaalde manier van scoren, dit begrijp ik inmiddels. Maar nu ik weet wat een doorloopbal is (en begrepen heb dat het in combinatie met ‘ga staan’ wordt gebruikt), en het me zelfs opvalt wanneer iemand bezig is met deze manoeuvre, heb ik weer een volgend onbegrijpelijk iets geconstateerd. Namelijk; als een meisje de bal heeft en ‘gaat staan’ (met haar rug naar de korf) zijn het de jongetjes die de doorloopballen moeten nemen en andersom. Waarom? Ik had werkelijk geen idee. En ik durfde er eigenlijk ook niet naar te vragen, want ik zit naast ouders op de tribune die zo’n beetje allemaal een korfbalverleden hebben. Zij moedigen hun kroost enthousiast aan en gebruiken daar allerlei vakjargon bij waar ik geen jota of tittel van begrijp. Niet dat zij mij het niet willen uitleggen, sterker nog, geduldig beantwoorden zij mijn simpele vragen, maar dan nog landt bij mij het kwartje niet.
Bij Frank natuurlijk weer wel, die heeft dan wel geen korfbalverleden, maar wel sportinzicht. Dus als hij weer eens een of andere term krijgt uitgelegd, dan is dat onmiddellijk duidelijk en ziet hij ook opeens hoe er gespeeld dient te worden en ziet hij looplijnen en spelopbouw en weet ik al wat niet meer.
Maar ik niet, ik heb vroeger niet gesport in de zin van een teamsport met een bal. Ik zat op ballet. Vraag mij wat een pirouette is en ik doe hem je voor, ik ken alle posities voor de voeten uit mijn hoofd en kan je zo vertellen wat een Grand Jeté is. U begrijpt dat ik er niets aan kan doen, team- en balsporten hebben gewoon geen deel uitgemaakt van mijn socialisatieproces, dus ik ben volledig onbekend met de terminologie.

Zo ook afgelopen week. Arjen speelt een thuiswedstrijd in de sporthal en ik zit op de tribune. Tot dusver gaat alles goed GKV E2 staat voor, maar dan wordt er opeens gefloten voor een overtreding die mijn zoon maakt. Ik zie het niet, herkende alleen zijn beweging als een doorloopbal (ja die zie ik dus wel). Gelukkig snapt Frank die naast mij zit het ook niet en wij informeren bij de moeder van een teamgenoot wat er niet goed ging.

 ‘Hij was aan het snijden’, luidt haar antwoord.

Daar kunnen wij dus niets mee en schaapachtig kijk ik haar aan en vraag: ‘Ehh snijden?’ Gezien eerdere vragen van mij heeft de sympathieke moeder  door dat wij geen verstand van korfbal hebben en geduldig legt ze weer uit: ‘Snijden’ is wanneer een verdediger die zich in een verdedigende positie bevindt zijn aanvaller niet kan volgen, omdat de aanvaller zijn weg zo dicht langs een andere aanvaller kiest, dat de verdediger met die andere aanvaller in botsing komt of dreigt te komen en daardoor zijn verdedigende positie moet prijsgeven. Snijden is niet strafbaar, het schieten na snijden is dat wel.’
En jahoor, naast mij zie ik Frank begrijpend knikken, die heeft dat weer in 1 keer begrepen en ik knik ook braaf, maar heb er dus alweer geen snars van begrepen.
De wedstrijd wordt hervat en gewonnen en wij gaan weer huiswaarts.

Maar het zit mij toch niet lekker, tijdens het middageten wil ik toch nogmaals van mijn wederhelft horen wat dat ‘snijden’ nou precies is, want ik durfde het geen tweede maal te vragen op de tribune. Frank probeert het mij uit te leggen, maar hij wordt onderbroken door de pleger van de overtreding zelf.
‘Papa, jij zegt dat wel goed, maar mama snapt daar niets van, kijk mama het is zo,’ en hij pakt een pot jam, een beker en een pak hagelslag.
‘Let op mama, de jam is de korf, de hagelslag is mijn teamgenoot en de beker is mijn verdediger. En ik ben deze vork.’ En hij plaatst de attributen op een bepaalde plaats op tafel. ‘Kijk, als ik dan heel dicht langs de hagelslag loop, dan kan de beker mij niet meer verdedigen, want dan botst hij tegen de hagelslag. Dat is snijden. Dan sta ik vrij en kan ik dus schieten, maar dat mag dan niet, want je mag niet schieten als je iemand hebt gesneden.’

Kijk! Dat is nu mijn zoon, die weet dat zijn moeder in beelden denkt. Nu snap ik het helemaal. Of ik het ook herken in een spelsituatie dat is een tweede, maar goed, ik heb weer wat geleerd. Daar ga ik aanstaande zaterdag eens op letten.

Of ik ga gewoon met zoon 2 mee naar zijn wedstrijd, want die speelt lekker bij de F-jes, dat snap ik wel! Kan ik ook eens wat roepen…

dinsdag 15 juli 2014

Je hebt van die dagen...

Zelfs als je denkt dat je alles bijzonder goed geregeld hebt, kan een klein meisje je plannen danig in de war schoppen door één simpele handeling uit te voeren, waardoor je de hele middag het zweet in je bilnaad hebt staan.

Het is de laatste schoolweek en die bestaat voor mij uit vergaderen, vergaderen en nog eens vergaderen. Om dat zo efficiënt mogelijk te doen, hebben ze op mijn werk bedacht om dat te verdelen over 3 verschillende dagen, op dag 4 reiken we de rapporten uit en op dag 5 vergaderen we nog een keer, om het af te leren waarschijnlijk…
Maar goed georganiseerd als ik ben, heb ik voor de hele week(behalve vrijdag) alles in kannen en kruiken wat betreft kinderopvang en vervoer naar school tijdens deze vergadertijden. Frank laat maandag en woensdag de auto thuis en de andere dagen kan ik met de trein. Calvijn heeft ook meegewerkt, de tijden waren gunstig genoeg, ik hoefde zelden meer dan een kind mee te nemen en had ook slechts een vergadering per dag en met een beetje geluk en de thuisgelaten auto kon ik ook weer op tijd bij de basisschool zijn voor de rest van mijn nageslacht. Ik had zelfs daarvoor nog een noodscenario in het leven geroepen zodat zij, mocht ik onverhoopt vertraagd zijn, niet eenzaam op het plein zouden achterblijven. Dus alles perfect geregeld. Zou je denken…

Je kunt nog zo goed alles geregeld hebben, er zijn altijd van die onvoorziene dingen die behoorlijk de boel in de war kunnen gooien. Bij mij is dat ‘ding’ 3 jaar oud, heeft blonde haartjes en praat heel de dag. We zullen het ‘ding’ in het vervolg van dit verhaal Yfke noemen.
Omdat wij van Frank niet zonder slag of stoot de auto kunnen lenen, moesten Yf en ik  ’s morgens vroeg eerst even een klusje voor papa doen bij de kerk, zodoende waren wij samen al vroeg in de auto op pad en op de terugweg deden wij, ik zei eerder al dat ik efficiënt ben, gelijk even de boodschappen. Thuisgekomen sjouw ik alles naar binnen terwijl Yf nog even in de auto blijft zitten, even oto stoeren (lees: auto sturen). Na het opruimen van de auto haal ik ook haar uit de auto en gaan wij verder met de dagelijkse dingen, wassen, strijken, noem maar op. Een gewone maandagmorgen.

Het venijn zit hem in de maandagmiddag. Het was zo strak gepland. Ik moest om 13.30 in Hardinxveld zijn om te vergaderen, dus met de auto kon dat precies; Eerst de jongens naar school brengen, dan Yf naar de peuterspeelzaal en als we een beetje snel vergaderen, en dat kunnen de mentoren van 3H/V, dan ben ik om 15.15 weer bij school voor de mannen. Perfect!
Dussss…Om 12.50 stappen wij alle vier in de auto, ik steek de sleutel in het contact, draai en  hoor: klik. Het lijdt geen enkele twijfel, ik hoef ook  niet nog een keer te proberen, want dit is niet de eerste keer dat ik dit meemaak. Ik zeg een heel lelijk woord, wordt van achterin gelijk berispt door de middelste, de accu is helemaal leeg. GRRRRRR…..!!!! ‘Yfke! Je hebt weer aan de knopjes gezeten.’ Het blonde ding schiet gelijk in de verdediging: ‘Ik heb het niet gedaan.’ Maar de schuld staat op haar gezicht te lezen. Het knopje van de koplampen staat aan, en na een kleine vier uur aangestaan te hebben, is de accu helemaal leeg.

‘Jongens, uit de auto, loop achterom, pak je fiets en als een haas naar school.’ De mannen weten dat als ik klink als een enigszins overspannen schooljuf (die van de zo-nu-eerst-een-kitkatreclame van vroeger) zij mij niet moeten tegenspreken en sprinten naar de achtertuin. Ik sjor Yf op de fiets en scheur er achter aan. Dan maar met de trein, dan maar te laat op Calvijn, ik bel wel vanuit de trein, bedenk ik al fietsende.
Vanaf dat moment liep er heel de dag niets meer soepel, onderweg naar school valt Chris met zijn fietsje, en nog hard ook, hij maakte een flinke schuiver. Maar ik heb haast dus: ‘Hup opstaan, we moeten naar school’. Huilend staat hij weer op en loopt verder naar school. Ik ben nog niet helemaal een waardeloze moeder, want ik meld nog wel even bij de juf dat ie gevallen is en erg geschrokken, maar er is geen bloed, dus ik geef hem een snelle kus en race verder om Yfke op de peuterspeelzaal af  te zetten.

Ondertussen bel ik mijn ‘noodscenario’ (moeder van Corné), dat ik waarschijnlijk later dan 15.15 ben, omdat ik nu met de trein moet en of ze de jongens mee wil nemen uit school. Mijn noodscenario blijkt tevens mijn reddende engel, want ze biedt me haar auto aan. Dus snel drop ik Yf op Pippeloentje en trap weer verder naar de leenauto. Perfect! Om 13.26 stap ik in Hardinxveld de school binnen, met het zweet inderdaad in mijn bilnaad (deze uitdrukking klopt echt) draai ik nog gauw mijn vergaderpapier uit en zoek het juiste lokaal, onderweg daarheen geef ik de directeur nog een veeg uit de pan, omdat hij dacht grappig te moeten zijn omdat ik er zo oververhit uitzie, maar daar had ik dus geen zin na dit turbulente kleine uurtje en dien hem van repliek…(hij schrikt er zo van dat ie 3 minuten later met een kan water en glazen in het lokaal staat…nog bedankt Sjaak). Goed na een diepe zucht en een glas water kan de vergadering beginnen.
 
Wij mentoren van 3H/V blijken inderdaad efficiënt te kunnen vergaderen en ik sta om 14.45 weer met de auto in Gorinchem.
Pfff…nu hoef ik alleen nog maar de jongens op te halen, de auto weer aan de gang te krijgen, Yfke op te halen, een rondje van een halfuur te rijden om de accu weer op te laden, te koken, de was van de lijn te halen, nogmaals te strijken, eten en weer naar de basisschool voor de eindschoonmaak, waartoe ik me ook verplicht voelde….


Dit was pas maandag, nog vier dagen deze week. Ik kan het!

donderdag 17 april 2014

Prinsessenhaar

Voor ik deze blog begin is het misschien goed om nogmaals, wellicht ten overvloede, te vermelden dat mijn dochter het liefst een jongetje wil zijn. Eerder kon u al lezen dat zij structureel weigert om rokjes te dragen. Zij identificeert zich in haar spel altijd met een jongetje. Zij speelt niet met poppen en dergelijke, kinderwagentjes blijven hier in de gang geparkeerd staan. Als we televisie kijken is ze altijd Aladdin in plaats van Jasmine, of Tarzan in plaats van Jane. En de laatste tijd gaat zij door het leven als generaal Chang (de mannelijke held uit Mulan). Ze wil geen speldjes, staartjes of wat dan ook in haar haartjes en dat is dan gelijk de bron van het volgende verhaal.

Hopeloos geworden van de coupe van mijn dochter, die ik niet mag kammen of wat dan ook en dus altijd piekerig hangt, besloot ik dat het dan maar tijd was voor rigoureuze stappen. Haar haartjes zo kort mogelijk laten knippen. Ze moest natuurlijk nog wel een meisje blijven, maar de schaar mocht er wat mij betreft flink in. Omdat ik zelf ook toe was aan een knipbeurt togen dochter en ik woensdagmorgen jongstleden samen op de fiets naar de kapper.
Mijn mededeling over wat we gingen doen, werd niet met bepaald met gejuich ontvangen. Niet dat zij bang is van de kapper, maar het vooruitzicht dat er weer een kam door haar haar zou worden gehaald, was niet aantrekkelijk. Er was redelijk wat overredingskracht van mijn kant voor nodig om haar de kapsalon binnen te krijgen, maar uiteindelijk lukte het door te zeggen, dat we stoere meidenharen gingen knippen.

Dat ze het er nog niet helemaal mee eens was, bleek wel uit haar houding in de kappersstoel. Normaal houdt ze geen 5 tellen haar mond, maar nu keek ze strak voor zich uit en haar lipjes werden dicht op elkaar geklemd. De kapster kon vragen wat ze wilde, maar Yfke gaf geen antwoord. Zo verliep het knippen eigenlijk prima, totdat de kapster iets te enthousiast kamde en met een lichte vorm van geweld probeerde om een klitje uit het haar te kammen. Dat deed een beetje zeer en Yfke begint te huilen. Het begon eerst heel subtiel met zachte snikken, maar werd algauw luider. De andere klanten keken al eens verstoord of medelijdend onze kant op, maar Yfke zette door. Al brullend riep ze om haar Tapataa (Bumba), verzon ze het smoesje dat ze naar de WC moest, maar vanaf nu was het voor de kapster een drama om haar nog verder te knippen. Mevrouw wilde niet meer in de stoel, maar bij mama op schoot. Hield haar hoofd niet meer goed, zodat de kapster zich in allerlei bochten moest wringen om nog fatsoenlijk te kunnen knippen. En ondertussen huilde ze maar door. Al huilend werd ze verder geknipt.

Maar het absolute hoogtepunt van het verdriet was nog niet bereikt. Een andere kapster die medelijden met mijn kleine meisje begon te krijgen, probeerde haar heel vriendelijk op te beuren. Ze liep naar de stoel toe en zei: ‘Je bent bijna klaar liefje, je hebt nu hele mooie prinsessenharen!

FOUT!

Nu gingen alle registers open. Als men in die kapsalon dacht dat ze eerder zat te brullen, dat was niets vergeleken bij wat er nu aan geluid uit het vrouwtje kwam.
Al snikkend verstond ik: ‘ik ben niet een prinses, ben generaal Chang!’ De arme kapster die niet begreep wat ze fout had gedaan, keek mij dan ook niet begrijpend aan.

‘Sorry,’ verklaarde ik, ‘maar je hebt zojuist het ergste gezegd, wat je maar tegen haar kunt zeggen, ze wil absoluut geen prinsesje zijn, ze is generaal Chang.’


Arme goedbedoeldende kapster…

leraar, ook elke dag anders II

Feedbackscan


Bij ons op het werk is het gebruikelijk dat je een keer in de zoveel tijd eens kritisch naar je eigen functioneren kijkt. Omdat wij zelf niet helemaal als objectief worden beschouwd wat betreft onze handelingsbekwaamheid, worden we daarin bijgestaan door onze teamleider. Onlangs had ik ook weer eens een voortgangsgesprek en naar aanleiding daarvan heb ik maar weer eens een 360 graden feedbackscan uitgezet om inzicht te krijgen in mijn eigen handelen.
Dit klinkt nu net of ik verschrikkelijk professioneel ben, maar dat valt reuze tegen. Ik zal even toelichten wat er vanmorgen in mijn lessen plaatsvond.

Ik ben de gelukkige docente die dit jaar mentor is van klas 3HE. Mijn geluk bestaat eruit dat ik dit stel schatjes iedere donderdag een blokuur en een los uur voor mijn neus zie verschijnen. Omdat zij het niet waarderen als ik drie uur geschiedenis geef (snapt u het?) moet ik af en toe creatief omgaan met de zogenaamde zelfstandige werkuren of het mentoruur, omdat er soms gewoon niet te mentoren of te zelfstandig werken valt. Na een uur geschiedenis moet ik dan zelf maar bedenken wat ik ga doen om deze lestijd op te vullen. Vanmorgen leek het mij een goed moment om eens een aantal mentorschatjes lastig te vallen met mijn feedbackscan.

‘Jongens, wie wil mij even helpen? …het blijft te lang stil ...’Niet allemaal gelijk zo enthousiast!’ (verbeeldt u een cynische ondertoon). ‘Wat moeten we doen mevrouw? Want als ik voor u naar boven moet lopen, daar begin ik niet aan, dit is het tweede uur, ik ben nog niet actief,’ meldt leerling L die vooraan mijn bureau zit. Hij is blij met de afleiding, maar hij herinnert zich een vorige keer dat ik deze vraag stelde, toen ik hem vervolgens naar boven stuurde om even voor mij iets te kopiëren in de mediatheek.
Hier moet ik voor de (met mijn klasje) onbekende lezer even aan toevoegen dat L en zijn medeleerling J, altijd samen vooraan bij mijn bureau gaan zitten om heerlijk met mij te ouwehoeren. Samen zijn zij net de twee oude mannetjes uit de muppets en zij hebben ontdekt dat ik dol ben op onzin en dan een groot deel van de les mee klets. Zo proberen zij bewust onder de werktijd uit te komen. (en ik trap er iedere keer in…)

‘Nee L, je hoeft niet te lopen, ik zoek een paar mensen die voor mij een feedbackscan willen invullen.’ ‘Een wat, mevrouw?’ ‘Een feedbackscan jongens, dat is een digitale vragenlijst die ik je toe stuur over de mail en dan moet je even 67 vragen beantwoorden over hoe ik functioneer als docent.’

’67?!’ is de reactie van leerling G, hij ziet een barrière.  ‘Ehh ja,’reageer ik,  ‘maar dat zijn meerkeuze vragen, je bent waarschijnlijk zo klaar.’ Het kost mij even wat overtuigingskracht, maar uiteindelijk vind ik er toch een stuk of 7 bereid om voor mij die scan in te vullen.
Leerling L weer: ‘Mevrouw, wat zijn dat voor vragen?’
Leerling A: ‘Mevrouw, moeten we die vragen eerlijk beantwoorden?’
‘Uiteraard alleen als dat in mijn voordeel is’, knipoog ik haar toe. ‘Ik moet hem zelf invullen, jullie en ook mijn collega’s doen dat voor mij. En als het goed is krijg ik dan een goed beeld van mijn sterke en zwakke punten.’
‘O, mevrouw, laat eens zien hoe dat eruit ziet dan?’ Leerling L begint er zin in te krijgen of probeert zoals gewoonlijk mij van de lesstof af te brengen. Het zal dat laatste wel weer zijn.

Omdat ik ook de beroerdste niet ben (en de geschiedenisles al achter de rug is), open ik de scan voor mijzelf en begin de stellingen voor te lezen. Het begint met vragen over mijn pedagogische competentheid. Nu zijn de reacties natuurlijk niet van de lucht.  De bedoeling is dat ik voor mijzelf aangeef hoe hoog ik vind dat ik scoor op bijvoorbeeld deze stellingen:
- ik ben in staat om iedere leerling afzonderlijk aandacht te geven               
- leerlingen voelen zich veilig om zichzelf te uiten in mijn klas
Etc etc.
Terwijl ik dit voorlees, staan mijn mentorschatjes met zijn allen rond mijn bureau en zijn zeer gewillig bezig om mij te beoordelen, met de nodige knipogen zijn zij nog best positief. 
U begrijpt dat de leerlingen en ik deze scan op dit moment bijzonder serieus invullen. Tot opeens de volgende stelling komt:
- Leerlingen durven met hun problemen naar mij toe te komen. Er wordt heel even nagedacht over wat moeten ze nu zeggen moeten en dan breekt L op zijn eigen droge manier de spanning:

 ‘Mevrouw, ik zit hier tóch?’ zichzelf beschouwend als een groot probleem.


Heerlijk doe mij een klas vol van dit soort problemen!