zondag 9 februari 2014

Over sukkels, soepkippen en dikkoppen.

We worden er hier momenteel doodmoe van; Christoph is van het verbaal en fysiek geweld. Van ’s morgens vroeg tot we hem eindelijk met goed fatsoen in bed kunnen parkeren, is Chris aan het duwen, meppen, trekken en schoppen tegen zijn broer (dat kunnen we soms nog stoeien noemen, als het wederzijds is) of liever nog tegen zijn kleine zus (want die kan hij hebben en vindt hij vreselijk vervelend). Het gaat hier hard tegen hard en niet alleen fysiek. Sinds Chris naar school gaat is hij ook de trotse eigenaar van een heel arsenaal scheldwoorden. Het varieert van het redelijke onschuldige ‘soepkip’ en ‘oelewapper’ tot de hardere varianten als ‘sukkel’ en alles verlengen met ‘k-u-t’. Toen wij afgelopen vrijdag door de regen naar huis fietsten was het opeens ‘kutweer’ en zijn zusje is geregeld een ‘kutzusje.’ Nu is ‘kut’ sowieso al een naar woord, maar uit de mond van een ventje van vijf is het helemaal triest, dus als moeder wil je aan het gebruik van een dergelijk vocabulaire rap een einde maken.

Maar ik zal het eerlijk toegeven, ik loop een beetje spaak bij mijn pogingen om het taalgebruik van mijn tweede zoon aan te passen. Ik heb nu toch zo’n beetje al mijn pedagogische vaardigheden in de strijd gegooid, het probleem zowel positief als negatief benaderd, andere (aangenamere) woorden aangeleerd, boos worden, humor toegepast. Ik weet het niet meer. Afgelopen woensdag heb ik hem ondersteboven gehouden en alle lelijke woorden eruit geschud (hij riep een woord en ik schudde hem om het woord uit zijn hoofd te schudden). Dikke lol natuurlijk, maar donderdag hoor ik weer een hele serie krachttermen voorbij komen. Op mijn vraag hoe dat nou kan: ‘we hebben al die lelijke woorden er toch uit geschud?’ antwoordt hij doodleuk: ‘Ik heb ze gelijk weer opgeraapt toen ze op de grond vielen.’ Een diepe zucht mijnerzijds was hier wel op zijn plaats.
Dus nu ga ik over tot het ergste wat ik kan doen…ik beperk Christoph in zijn beeldschermtijd.

Als wij niet uitkijken zit ons Chrisje namelijk liefst heel de dag achter een beeldschermpje. Maakt niet uit wat. DVD, laptop, WII, smartphone of sinds kort ook de Nintendo DS. (En dan kun je zeggen, daar ben je als ouder toch zelf bij, maar verbied maar eens een kind om te kopen waar hij al tijden voor gespaard heeft). Zodoende zijn de heren de trotste eigenaren van twee DSjes. En wat betreft Arjen is dat geen probleem, die vindt het leuk als hij er mee mag spelen, maar ook prima als de tijd voorbij is. Zo zou het in de ideale wereld moeten zijn, kinderen die gewoon luisteren en niet met je in discussie gaan over hun ‘beeldschermtijd.’ Maar de oplettende lezer voelt hem alweer aankomen, deze ideale zoon (in dit opzicht dan hè? Hij heeft weer andere gebreken.) heeft een minder ideaal broertje. Christoph is zeer, maar dan ook zeer verbolgen als ik aangeef dat het apparaat in kwestie uit moet. Ook al hebben we van te voren een positie van de wijzers op de klok afgesproken, op de betreffende tijd, wordt Chris altijd boos. Dit gegeven ga ik nu dan maar in de strijd gooien om zijn vocabulaire aan te passen. Vanaf dit weekend moet hij zijn beeldschermtijd verdienen en dat kan alleen door niet te schelden op alles en iedereen. En uiteraard liet het niet lang op zich wachten, vanmiddag was de eerste echte confrontatie. Na twee keer gewaarschuwd te hebben: ‘Christoph, niet zo lelijk doen, anders mag jij na het eten niet op je DS,’ voegde ik bij de derde overtreding van ons huisgebod ‘gij-zult-niet-schelden’ de daad bij het woord en vertelde hem dat er van DS-en geen sprake meer kon zijn na het eten.

De eerste reactie van Christoph is dan altijd pure drift, er wordt gegooid met van alles en vervolgens gaat hij intens verdrietig op de bank liggen kermen. Wij zijn hier inmiddels aardig immuun voor tranen en negeren dit gedrag dan ook volledig. Maar na een minuut of tien gekermd te hebben, gebeurt er opeens iets heel verrassends. Christoph begint het spelletje dat net door de kamer vloog keurig op te ruimen, vervolgens worden alle kussentjes op de bank opgeschud en netjes in de hoekjes gelegd. Hierna vouwt hij de plaid op en drapeert die keurig over de leuning van de stoel. ‘Mama, zal ik deze knuffels even boven leggen, die horen hier niet toch?’ Daarna gaat hij de jas en schoenen van zijn vader opruimen, die lagen er ook nog. Hij controleert of er nog andere dingen liggen die opgeruimd kunnen worden en begint daarna met het rechtzetten van de boeken in de kast. Vanuit de keuken maak ik Frank opmerkzaam op het charmeoffensief dat onze zoon begonnen is. Als hij echt geen enkel klusje meer kan vinden, komt hij met zijn liefste smoeltje naar de keuken: ‘Mama, is alles zo weer mooi opgeruimd? Dat heb ik alleen gedaan en niet Arjen.’ Voor de duidelijkheid vermeldt hij dat gegeven er nog even bij. Stel je voor dat ik dat denk! ‘Fijn hoor Chris, dank je wel,’ reageer ik, daar word ik erg blij van. ‘Heb ik dan nu nog een kans, mag ik misschien nog op mijn DS?’ Hoopvol kijkt hij mij aan met zijn reebruine ogen. Wat mij betreft mag dat best nog even na het eten, maar ik ga nog wel even proberen om zoveel mogelijk rendement uit deze situatie te halen: ‘Dat weet ik nog niet hoor, jij hebt teveel lelijke woorden gezegd, misschien als je zo meteen netjes aan tafel blijft zitten tijdens het eten en je bord keurig leeg eet.’ Nog zo’n heikel punt, maar ik ga nu voor de volle winst. En ook dat gebeurt vlekkeloos, alle broccoli gaat tot het laatste stronkje op…Yes! Ik win!

Dus beloofd is beloofd. We spreken en af dat hij tot zeven uur op zijn DS mag, met daarbij nog wel de opmerking dat we morgen weer op dezelfde manier aan de slag gaan. ‘Je moet het verdienen.’ Christoph gaat met alles akkoord en stort zich vol overgave op Super Mario. En dan opeens is het vijf voor zeven. Ik maak de mannen attent op de klok, ze horen mij allebei en weten dat het einde nadert. Om zeven uur zet Arjen zijn DS uit en gaat naar boven (hij lijkt nu een hele brave borst, het is ook weleens anders). Zo niet Chris. Chris vertikt het en gaat er vandoor. Met zijn tweeën zetten we hem klem tussen de bank en de muur en Frank tilt hem op en zegt: ‘Wat zei mama nou net over de DS?’ Als antwoord daarop geeft Chris weer even een demonstratie van zijn uitgebreide vocabulaire: ‘stomme rot mama.’


En jahoor, we kunnen weer van voor af aan beginnen…iemand nog suggesties?

zondag 15 december 2013

De állerbelangrijkste vraag.

Wij zijn sinds Sinterklaas weer begonnen met bijbel lezen na het eten. Omdat na de peuterbijbel nu ook de kinderbijbel uit was, was ik al een poosje op zoek naar een leuk dagboekje dat geschikt was voor alle drie onze kinderen. Het bijbel lezen was er dus al een tijdje bij in geschoten. Gelukkig had Sinterklaas (lees: het evangelisch centrum Sleeuwijk) wel een geschikt boekje om op een eenvoudige manier wat basisbijbelkennis over te brengen. Lees je mee, met Bijtje B. Het is een leuk boekje dat een kort stukje uit de bijbel vertelt in taal voor jonge kinderen met een echte bijbeltekst die daarbij hoort. Daarnaast staan er vaak luistervragen of korte opdrachtjes of een liedje en een gebedje bij. Zo zijn wij een minuut of tien zoet met de min of meer ‘stille’ tijd van onze kinderen.

Ze vinden het zo leuk dat ze vaak ’s morgens bij het ontbijt het boekje al pakken en Arjen leest dan het verhaaltje van die avond al voor, of er wordt teruggegrepen op favoriete stukjes die we al eerder hebben gelezen. Vooral het verhaal van Noach is favoriet, daar zat een opdrachtje bij dat nogal populair is. De kinderen mochten allerlei dieren na doen die in de Ark gingen. Arjen deed met veel gebrul de leeuw na, Christoph kreeg het varken, wat hij meesterlijk na kan doen (het is jammer dat je hier geen geluid aan kan toevoegen, vraag hem er maar eens naar, je komt niet meer bij) en Yfke deed een vogel na. (‘Yfke wat doet de vogel?’ Het kind antwoord in alle onschuld: ‘vlieg, vlieg, vlieg…’). Vaak vergeet ik Yfke bij het vragenrondje of heb ik de vragen al aan haar broers gesteld, omdat ik ze dan te moeilijk vind voor haar. Dat staat haar dan totaal niet aan en meestal herinnert ze mij er dan even aan dat ik haar nog een vraag moet stellen. Ik stel dan eigenlijk altijd dezelfde vraag: ‘Wie zorgt er heel goed voor jou?’ En keurig antwoord het blonde poppetje dan: ‘De Hele God.’ Vervolgens kunnen we dan van tafel.

Meestal is het Arjen die voorleest, die kan natuurlijk ook echt lezen en gestructureerd als Arjen is, leest hij ook braaf precies zoals mama dat altijd doet. Maar vanavond verliep het anders. Christoph had het boekje te pakken en hij ging ons weleens even de wat ‘moeilijke’ vragen stellen. Eerst kwamen de vragen die hij mij de afgelopen weken heeft horen stellen. Daar ging hij: ‘Eerst een makkelijke vraag, papa, wie heeft de bomen gemaakt?’ En Frank antwoord braaf: ‘De Here God.’ Hij gaat verder met het kringetje: ‘Arjen, wie maakte de mensen?’ Ook Arjen antwoord correct: ‘Dat was ook de Here God.’ Vervolgens is Yfke aan de beurt. Christoph past de vraag keurig aan op ‘niveau Yfke’ en hier blijkt dat ook Christoph toch wel iets opvangt van wat ik zeg: ‘Yfke, wie zorgt er goed voor jou?’ Het meisje antwoordt keurig en we denken nu klaar te zijn en van tafel te kunnen.

Ik begin de papschaaltjes op te stapelen om die naar de keuken te brengen en wil net opstaan van tafel als Christoph ingrijpt: ‘Wacht eens even’, zegt het ventje, ‘we zijn nog niet klaar, ga maar weer zitten, we maken het even af.’ Zwaar onder de indruk van de berisping van een mannetje dat zelf niet eens tijdens het eten op zijn stoel kan blijven zitten, zak ik weer terug op mijn stoel. Terwijl hij door het boekje heen bladert en net doet of hij kan lezen zegt hij: ‘Nu komt de állerbelangrijkste vraag!’ Ik zet me al schrap, want ik ben nog niet aan de beurt geweest, welke levensvraag zal mij te beurt vallen? Ik vrees met grote vreze. En dan komt het, hij haalt adem, kijkt mij aan en vraagt:


‘Mama, waarom lopen de koeien in de wei?’


zaterdag 14 december 2013

Galliërs, Galileeërs en Geallieerden…

Keer op keer blijkt weer dat geschiedenis een moeilijk vak is, waar veel te vaak te makkelijk over gedacht wordt of wat algauw wordt afgeschreven als onbelangrijk als de betreffende persoon geen interesse heeft. Mijn mooie vak is (helaas) wel een populair examenvak, omdat je het er in iedere sector gewoon bij kunt nemen als achtste vak (‘da’s niet zo moeilijk’) of gewoon omdat je nog te weinig in je pakket hebt en dan neem je toch lekker geschiedenis (‘ik moet toch wat?’). Het lot van een geschiedenisdocent in 4 VMBO is dat je met een klas vol mensen zit, die het vak er maar bij genomen hebben en een enkele geïnteresseerde leerling, laten we hem vooral koesteren. (waarom zijn dat meestal jongens?) En dan is het hard werken om al die gebeurtenissen en begrippen in die koppies te krijgen en er ook nog een zekere vorm van chronologie in aan te brengen. Om over inzicht in oorzaak en gevolg nog maar te zwijgen. Jaarlijks wordt bij mij tijdens de tentamens de Berlijnse Muur door Josef Stalin zelf gebouwd. (dat kan niet, Stalin is dan allang naar gene zijde) en heet de Koude Oorlog zo, omdat het plaats vond in de winter…

Maar laat ik eerlijk zijn het valt ook allemaal niet mee. Al die jaartallen, namen, plaatsen, gebeurtenissen, je moet het maar kunnen onthouden. Voor veel leerlingen is het vaak een gevalletje ‘klok-klepel’, Ze hebben de klok wel gehoord, maar waar die klepel hangt…Joost mag het weten.
Net toen ik dacht dat ik de meest gangbare fouten en hardnekkige vergissingen allemaal wel kende, creëren mijn vriendin en een leerling onafhankelijk van elkaar weer een nieuwe: de verwarring der volksstammen. Het lijkt ook allemaal zo op elkaar: Galliërs, Galileeërs en Geallieerden. Tijdens een wandeling met vriendinnen in Soest lopen we langs een straatnaambordje met de naam van Generaal van Heutsz. Omdat de ene vriendin wil weten wie dat ook al weer was, geef ik een kort geschiedenislesje, waarbij het er uiteindelijk op uitdraait dat de tweede vriendin ons land in 1945 laat bevrijden door de Galliërs. Zij verwart de Geallieerden met de Galliërs, ook hier een gevalletje klok-klepel. (Het voert te ver om dat hele verhaal hier ook weer te geven, ik heb de boel gladgestreken en haar kennis opgevijzeld, dus ik ga verder).


U als kundige lezers begrijpt natuurlijk niet dat hier verwarring over mogelijk is, dat zijn toch duidelijk drie verschillende groepen. Even ten overvloede: De Galliërs, een volk ten tijde van het Romeinse Rijk woonachtig in het huidige Frankrijk, voornamelijk bekend door de stripheld Asterix. De Galileeërs, die komen op een christelijke school ook nogal eens voorbij, zelfde tijd, maar leven in een heel ander gebied, namelijk om en nabij het meer van Galilea in Israël. En dan tot slot de Geallieerden, die verschijnen pas in de twintigste eeuw letterlijk op het strijdtoneel als wij hier in Europa na een schietincident in Sarajevo op 28 juni 1914, besluiten om elkaar de oorlog te verklaren.

U wist dit allemaal, ik verwacht niet anders. Zo niet de arme VMBO leerling. Het arme puberbrein kan maar zeven dingen tegelijk onthouden en dan liefst datgene wat hij/zij belangrijk acht, de rest wordt als overtollige bagage ergens in een hoekje van de grijze massa gestopt en zo af en toe als zij menen een woord te herkennen komt het naar boven. Dit was vorige week het geval met het woord Geallieerden of was het nou Galileeërs? Ik leerde hier na de Galliërs van mijn vriendin een tweede variatie op Geallieerden.

Ik sta mijn uiterste best te doen om aan 3VMBO uit te leggen wat de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog zijn. Met duidelijk beeldmateriaal en kaartjes van Europa vertel ik ze het volgende: ‘Dames en heren, rond 1914 bestaan er in Europa twee grote bondgenootschappen’. De Triple Entente en de Triple Alliantie. De ervaring heeft mij geleerd dat ik dat er beter niet bij kan vertellen en dus geven we ze namen die makkelijker te onthouden zouden moeten zijn. Ik vervolg mijn verhaal: ‘Die noemen we de Centralen en de Geallieerden. Kun je op de kaart aangeven welke landen volgens jou bij de Centralen zouden kunnen horen?’ Ergens durft een fanatiekeling er voor uit te komen dat ie zijn huiswerk bestudeerd heeft en roept het goede antwoord door de klas: ‘De Centralen zijn Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië, mevrouw.’ Er horen er nog wel een paar bij, maar hier neem ik genoegen mee. Ik ben een grote voorstander van het onderwijsleergesprek en vraag gelijk verder: ‘Waarom zouden we dat bondgenootschap nu de Centralen hebben genoemd?’ Dit is een lastigere vraag, want het is niet in het boek te vinden, een aantal mensen zoekt tevergeefs terwijl het merendeel druk aan het nadenken is over de smoes die ze het volgende uur gaan gebruiken als ze moeten uitleggen waarom hun nask (sorry, vakterm: natuur-en scheikunde) huiswerk niet af is. (Dat proberen ze namelijk stiekem nu in mijn les te maken, maar ik ben zo flauw geweest om die boeken weg te halen…)

Het blijft stil en leerlingen staren naar hun tafel in de hoop dat ze geen beurt van mij krijgen, maar helaas zo flauw ben ik wel, dus degene die zich het best verstopt is de klos. Mijn arme slachtoffer heeft geen idee, dus leg ik uit dat de naam komt vanwege de ligging van deze landen: centraal in Europa. Een enkeling noteert dit gegeven. Maar dan de volgende vraag: ‘Welke landen horen er bij de Geallieerden?’  Dezelfde fanatiekeling van daarnet had deze vraag al verwacht en reageert snel: Engeland, Frankrijk, Rusland en later Amerika.’ Ook dit is het basisantwoord waarop uitbreiding mogelijk is, maar ik doe het ervoor. Maar nu ontstaat er onrust links halverwege het lokaal. Er is verwarring, leerling A probeert leerling B iets duidelijk te maken. Als dat niet lukt schieten leerling C, D en E, die er om heen zitten in de lach en wordt A afgeserveerd vanwege haar haarkleur: ‘hoezo blond!’ roept C. ‘Natuurlijk niet, dit is bij Jezus joh!’ Ik ben erg benieuwd wat Jezus te maken heeft met mijn verhaal over de Eerste Wereldoorlog. VMBOers maken vaak de meest fantastische gedachtesprongen. Enigszins rood geworden stelt A haar vraag aan mij: ‘Mevrouw, die Galileeërs, dat snap ik niet, die horen toch bij Jezus en die is toch allang dood in 1914?

Ik probeer niet te overduidelijk te zuchten en wil niet gelijk al te wanhopig overkomen, dus geef ik een, hoop ik, simpel antwoord: ‘Je haalt twee groepen door elkaar schat, de Galileeërs, bekend uit de bijbel en de Geallieerden.’ Jahoor, daar hebben weer een gevalletje klok-klepel.  ‘O, reageert ze,  ‘weet ik veel, u leert ons veel te veel namen.’


Lekker dan, als docent heb je het ook altijd gedaan…

vrijdag 29 november 2013

Sinterklaas

Sinterklaas bestaat niet! Mag ik dat plaatsen? Kan ik er van uitgaan dat de tere kinderzieltjes dit niet lezen. Ik vermoed van wel, dus bij deze: Sinterklaas bestaat niet.

Sinds afgelopen maart weet onze oudste zoon dat. Hij kon er maar niet over uit. Zijn oma werd maar 57 en Sinterklaas is misschien al wel 1000 jaar. 'Ik snap er niets van mama.' En hij had gelijk, daar was ook niets van te snappen. Dat was voor mij de eye-opener om aan het mannetje uit te leggen, dat de beste Sint een verzinsel is, een gezellig feest dat wij met zijn allen hier in Nederland bedacht hebben. Hij had er geen enkele moeite mee en vond het allemaal een goede grap. Gelukkig maar, want stel je nou eens voor dat hij had gezegd: 'En God dan? Is die ook een verzinsel?' Die vraag had ik hem dan niet kwalijk kunnen nemen.

Daardoor sta ik er gelijk ook heel anders in, in het in stand houden van de 5 decembermythe. Ik weet niet of je Sinterklaas moet beschouwen als liegen tegen je kinderen, maar daar komt het eigenlijk wel op neer. Voorheen had ik er geen moeite mee om mijn kinderen in de waan te laten dat er een oude man uit Spanje komt om cadeautjes te brengen, maar dit jaar vind ik het een stuk lastiger. Ik manoeuvreer een beetje om de opmerkingen van Christoph heen, ik lieg niet, maar vertel ook de waarheid niet.

Maar ik merk dat het eigenlijk niet uitmaakt of ik nu lieg of niet. Ze geloven wat ze willen geloven. Vandaag vraagt Christoph hoe oud Sinterklaas eigenlijk is en ik antwoord: 'niet zo heel oud hoor, het is toch niet een echte meneer, maar iemand die zich heeft verkleed?' Het lijkt wel alsof hij het niet hoort, hij kletst gewoon verder. Hij hoort niet eens dat ik zeg dat Sinterklaas niet echt is. Hij ziet hem toch op TV, in winkels en overal. Christoph is horende doof.

Zelf Arjen die precies weet hoe het zit en weet dat ik de cadeautjes koop zit er weer helemaal in. Het Sinterklaas journaal wordt gevolgd en hij leeft helemaal mee met de luisterpiet en gelooft ook echt dat de staf zoek was en maakt zich zeer bezorgd of het allemaal wel goed zal komen met pakjesavond. Maar af en toe herinnert hij zich het gesprek weer dat wij in april op de rand van zijn bed hadden. Zijn verlanglijstje stopt ie niet in zijn schoen, maar levert hij bij mij in. Bepaalde artikelen uit de speelgoedfolders worden met klem onder mijn aandacht gebracht. En af en toe wordt er geïnformeerd naar het budget van Sinterklaas, zodat hij wat gerichter kan zoeken.

Maar het schattigst was wel afgelopen zaterdagavond. Vol enthousiasme hebben we 's morgens de Sint binnengehaald in Gorinchem. Hij zit er helemaal in, zingt liedjes, maakt tekeningen voor in zijn schoen, kijkt het Sinterklaas journaal noem maar op. Maar net voor hij naar bed gaat, komt ie vlak bij mijn oor staan en fluistert: 'mama, ik heb de pepernoten die ik vandaag gehad heb in het zakje laten zitten. Het staat in de kast, dan kun je die straks strooien als je de cadeautjes in de schoen doet.'

Is dat nou niet lief? Leuk hoor als ze tussen wel of niet in
zitten.

vrijdag 11 oktober 2013

penisnijd dl. II

Waarschijnlijk heb ik het over mezelf afgeroepen. Lang geleden toen ik zwanger was van de eerste, leek het me geweldig om een jongetje te krijgen. Voor mijn gevoel was ik meer een jongensmoeder dan een moeder die met strikjes en dergelijke in de weer gaat. Volgens mijn schoonmoeder schijn ik ook gezegd te hebben dat het me geweldig leek om later met een heel stel van die grote knullen rond de eettafel te zitten. Nu zit ik dan nog niet met grote knullen aan de tafel, maar ik ben tegenwoordig wel de enige vrouw in huis.

Ik hoor u denken: ‘de enige vrouw?’ ‘En dat kleine blauwogige blonde koninginnetje dan, dat je altijd bij je hebt, dat is toch een meisje?’
En daar moet ik u gelijk geven, want inderdaad, dat is een meisje. Al na 13 weken zwangerschap werd dat geconstateerd door de echoscopiste toen ze zei: ‘Deze soort heb je nog niet.’ Stiekem vond ik dat na twee knullen natuurlijk erg leuk, een meisje erbij. Mijn gezinnetje compleet, met knullen en een meisje! Maar sinds een maand of zes ben ik toch echt weer de enige vrouw in huis, want mijn dochter is een ‘nonnetje’ (lees: jongetje). Ze blijft bij hoog en laag beweren dat ze geen meisje is, maar een jongetje. Ze is het prototype van een ernstig geval van penisnijd, maar hoe kan het ook anders, met twee broers boven je.

Gezien hun leeftijd gaat het hele stel geregeld met elkaar onder de douche of in bad en daar is het waarschijnlijk allemaal mee begonnen. De mannen kennen allerlei leuke trucjes met hun piemeltjes en hebben de grootste lol terwijl ze die trucjes aan elkaar demonstreren. Het zusje zit erbij en kijkt ernaar en snapt er helemaal niets van. Je ziet gewoon dat er in dat kleine blonde hoofdje vanalles omgaat. Ze kijkt naar haar broers en kijkt eens naar zichzelf en mist toch echt een wezenlijk onderdeel. Maar helaas leidt die conclusie niet tot acceptatie van het feit dat ze dus een meisje is, mevrouw gaat het gemis compenseren.

Zomaar een paar voorbeelden: ze draagt geen rokjes en jurkjes meer, bloemetjesonderbroeken zijn taboe, onderbroeken van je broers zijn fantastisch en die draagt ze wel. Met poppen wordt niet gespeeld, auto’s en wild doen met de broers zijn favoriet. Verkleden met je broers, niet in de mooie prinsessenjurk, maar in het piratenpak. Als je gaat zwemmen trek je niet je badpak aan, maar de zwembroek van Christoph. En degene die haar ook maar aanspreekt met ‘vrouwtje’of ‘meisje’ kan rekenen op een zeer verwijtende blik en de opmerking: ‘ben niet meisje, ben een nonnetje!’ Noem haar ook niet mooi, ze is stoer. Ze loopt met takken en buizen tussen haar benen en heeft zo haar eigen piemel gemaakt. En zo zijn er nog tal van voorbeelden te noemen.

Onlangs werkten de juffen op de peuterspeelzaal rondom het thema familie. Allerlei begrippen werden geleerd, liedjes gezongen en geknutseld met foto’s van het eigen gezin. Ook moesten ze zichzelf schilderen. De juffen hadden al wat voorwerk gedaan, alle jongens verfden een kleurplaat van een jongetje en alle meisje kregen ook een kleurplaat met daarop een meisje met een staartje in het haar. Braaf heeft onze dochter haar schilderij roze geverfd (roze is dan weer geen enkel probleem!?) en na een paar weken kwam het mee naar huis. Omdat wij hier de gewoonte hebben om de kunstwerken van onze nageslacht een poosje te exposeren, hing ik ook het schilderij van een roze Yfke aan de muur.
Binnen een paar minuten stond mevrouw al bij de muur. ‘Moete niet ophanne, is stom Yfte is niete meisje.’ Ze trok de tekening van de muur en begon het opgeplakte roze meisjeshoofd eraf te trekken en verscheurde het werk. Vervolgens bleef er alleen een geel velletje papier met haar naam erop over, dat ik dan weer aan de muur mocht hangen.

Die ene keer dat we haar dan in een jurk weten te krijgen, zijn we ook helemaal in de gloria. Tante Liane kwam een fotoshoot doen van de kinderen. Erg leuk, met allerlei verschillende verkleedkleren aan. En ik maar hopen dat ze schattig in het prinsessenjurkje zou poseren. Nou mooi niet dus, we hebben eerst de mannen in prinsessenoutfit gehesen en toen wilde ze dan ook wel, maar het ging niet van harte. Of afgelopen zondag, we gingen naar een doopdienst in een kerk waar het gebruikelijk is dat alle vrouwen een rok dragen. Dus zij moest er ook eentje aan. Het overhalen van Yfke ging eigenlijk vrij gemakkelijk, want ze wilde zo graag mee met mij dat ze die rok voor lief nam. We hebben een stoere spijkerrok gekozen en ze heeft hem de hele dienst aangehouden. Maar na de dienst moest er geplast worden en ze kijkt me met glimoogjes aan: ‘nu magge rok uit?’ Maar goed, ik tel mijn zegeningen, zo heel af en toe heb ik dus toch een dochter…


Het gaat vast wel over? Toch?

donderdag 29 augustus 2013

TV

Een paar weken geleden stond ik op zondagmorgen met een bak thee in de kerk en had ik een heel normaal kletspraatje met een bekende. Een week later hadden wij thuis geen telefoon en geen televisie meer en sliepen de jongens op een kamer, hadden ze allebei een nieuw bed en had ik voor de volledigheid hun kamers maar even geschilderd en allerlei nieuwe decoraties gemaakt. Omdat ik daar op facebook af en toe melding van maakte, kreeg ik een heleboel vragen over wat nou het verband en de logica achter deze nogal rigoureuze veranderingen was. Ik ga in het hieronder volgende blog duidelijkheid proberen te verschaffen. Met de nadruk op proberen, want of ik het geheel kan ophelderen vraag ik mezelf ook af.

Goed, laat ik beginnen bij het begin. Ik hou een kletspraatje met deze kennis en we hebben het over de beroemde en beruchte spelcomputer WII, mijn jongens en die van hem hebben er een, en we wisselen ergernissen rondom dat ding uit. Ergernis nummer 1 is dat de jongens het liefst heel de dag achter dat ding zouden zitten als ze de kans krijgen en dat wij gek worden van het schijnbaar bijbehorende gegil en gespring voor de TV. Kennis vertelt dat zijn jongens per dag een uur computertijd hebben, en daar telt hij ook de gewone laptop bij. Ik informeer of hij daar dan ook de tijd bij optelt die gebruikt wordt voor TV kijken, maar Kennis antwoord dat hij geen TV heeft en als ze iets willen zien dat het ook via internet kan, en ja dat telt hij inderdaad bij de computertijd op.

Tijdens de boterham vertel ik dit aan mijn echtgenoot en die ziet er wel (financieel) voordeel in. ‘Dat zouden wij ook moeten doen en dan doen we ook gelijk de telefoon weg, want we zijn allebei mobiel en ik bel nota bene gratis via mijn werk.’ Binnen een kwartier heeft mijn man via internet ons abonnement omgezet en zijn wij vrij van de banden van de TV en telefoon. Dit gaat mijn verwachtingen (die had ik eigenlijk niet eens, het was meer een mededeling) te boven. Wie Frank een beetje kent, weet dat hij erg graag kijkt naar allerlei vormen van sport en actualiteiten, dus het door hem opzeggen van de TV is best een onverwachte en vooral radicale actie te noemen.

‘Maar oke, wat doen we nu met die TV, die hoeft niet meer in de kamer te blijven staan’, redeneer ik. ‘Nee, die TV kan met WII en DVDspeler naar boven,’ oordeelt Frank.
Dan hebben we gelijk het eerste probleem te pakken, want waar gaan we hem dan neerzetten. ‘Niet op onze slaapkamer hoor, ik hoef niet alle vriendjes van Arjen en Christoph op en in mijn bed als ze WII-en of een filmpje kijken.’ ‘Dan bij een van de jongens?’ oppert Frank. Dat vind ik dus ook een heel slecht idee, want ik voorzie al allerlei ruzies. Stel de WII staat bij Arjen op de kamer en Chris wil spelen, maar Arjen wil niet dat Chris op zijn kamer komt of andersom. Dat is geen strak plan. Maar waar dan? Op zolder in een heel klein hoekje, waar nu de lego staat? Ook niet handig, als je nagaat hoe de mannen springen en doen tijdens het WIIen. Dan zijn we eigenlijk wel door onze opties heen.
Het enige wat ik nu nog kon bedenken is om een slaapkamer op te offeren en in te richten als speelkamer, met alle lego, playmobil, duplo, de knutseltafel (die eigenlijk ook beneden weg moet) en de mannen bij elkaar te parkeren. Daar vragen ze al heel lang om en tot nu toe laat ik ze weleens bij elkaar logeren, maar hield ik verder de boot af. Nu zie ik toch langzaam een oplossing uit de mist opdoemen.

Frank gaat akkoord en ook de mannen springen een gat in de lucht. De dag erna schroef ik de bedden uit elkaar, en de grote interne verhuizing is begonnen. Nu, anderhalve week later ben ik nog steeds erg tevreden, de mannen slapen prima, wij zijn van de TV af en ik heb bij deze uitgelegd aan al mijn ‘volgers’ hoe de vork precies in de steel zit.

Nu volgt het volgende projectje. Want niet alleen de mannen hebben een nieuw bed, ook Hare Majesteit onze dochter heeft het ledikant ingeruild voor een groot bed. De zoektocht naar het bed was nog een heel gepuzzel, want er is maar een beperkte ruimte op Yfke d’r kamertje. Nadat ik eindelijk van twee boekenkasten, een bedbodem en een matras een passend bed in elkaar geschroefd heb (de ruimte is maar 2 meter en ieder bed is groter, ontdekte ik), weigert de koningin om er in te slapen. Ze vindt het bed ‘plachtig, heel mooi mama’, maar gaat er niet in liggen ‘isse te heet’ is de verklaring. Na een enorme woede-uitbarsting (peuterdrift in zijn zuiverste vorm)  heeft ze haar babymatrasje, dat ik even op onze kamer had geparkeerd, teruggesleept. Zelf een lakentje eromheen gedaan en ligt ze nu klem tussen kast en poef op de grond naast haar nieuwe bed, al twee weken! Ze vertikt het om in het nieuwe bed te slapen. Ze gaat ook niet meer ‘naar bed’, maar ze gaat ‘op matlasje’, als ik zeg dat ze naar bed moet krijg ik steevast dit antwoord. ‘Yfte gaat niet naar bed, Yfte gaat op matlasje’…dusss hoezo  eigenwijs? Voor nu vind ik het eigenlijk best, zolang ze op haar kamer blijft als ik dat wil, hoor je mij niet klagen. Uiteindelijk zal ze wel moeten, dan past het gewoon niet meer, maar toch…


Iemand tips hoe we dit nu weer gaan aanpakken?

donderdag 18 juli 2013

Bravoure

Kent u dat?  Dat je een bepaalde voorstelling bij je kind hebt of een bepaald verwachtingspatroon en dat het dan niet op blijkt te gaan voor het kind in kwestie. Zo had ik het idee dat ons meisje een lief, schattig, vlechtjes- en jurkjesdragend prinsesje zou worden, maar het tegendeel is waar, ze zou het liefst een jongetje zijn, draagt nooit jurkjes en ik heb geluk als ik uberhaupt met een kam in de buurt mag komen.

De afgelopen jaren hebben Frank en ik ook onze visie op de mannen al moeten bijstellen. Wij hadden verwacht dat Arjen de afwachtende, verstandige en voorzichtige broer zou zijn en de tweede meer van het type ‘7 sloten tegelijk’. Maar niets is minder waar, Arjen hangt roekeloos in de hoogste bomen, springt over (en in) sloten, vangt kikkers, experimenteert met van alles en nog wat en zou zich onmiddellijk aanmelden als er nog bemanningen werden geronseld om bij de V.O.C. de nieuwe wereld te ontdekken.

Christoph blijkt het watje van de familie en dat geheel tegen de verwachtingen in. Hij heeft altijd het hoogste woord als het op stoere dingen aankomt, hij zal wel even dit en hij doet wel even dat, maar als puntje bij paaltje komt hangt hij in het zwembad om mijn nek, omdat ie bang is om los te laten, stapt hij maandenlang niet meer op zijn fietsje omdat hij een keer bijna gevallen is en hij durft niet van de glijbaan. (die was nog geen meter hoog). En hij zou zeker niet aanmonsteren bij de V.O.C! Al dat water…en lang weg van je moedertje, dat is dus niets voor Chris. Maar goed, Chrisje zit dus nog steeds bij moeders achterop de fiets en hij wordt er niet lichter op. Ik vond het hoog tijd dat meneer zelf ging fietsen, want ik heb ruim 35 kilo extra op mijn fiets met hem en zijn zus erbij en dan heb ik alle boodschappen en tassen nog niet meegerekend. Ik ben echt zo’n moeder waar koningin Maxima, toen nog niet eens prinses, diep respect voor had, toen ze voor het eerst in Nederland kwam. Moeders met twee kinderen op de fiets en overal waar het maar mogelijk is boodschappen aan de fiets. Maar goed terug naar Christoph.

Aan het begin van 2013 stelde ik mijzelf een doel per kind. Eind van het jaar moest Arjen zijn zwemdiploma’s hebben gehaald, Yfke moest zindelijk zijn en jawel, Christoph moest zelf naar school fietsen, zonder zijwielen!

Doel 1 was in no-time bereikt. In februari en maart mocht Arjen respectievelijk het A- en het B-diploma in ontvangst nemen. De zindelijkheidstraining en het fiets-zonder-zijwieltjes-traject werden even geparkeerd tot in het voorjaar / zomertijdvak. Het moet ook wel leuk blijven, je laat je kind niet met winterweer en herfstwind leren fietsen (en gaat er zelf niet in de regen achteraan rennen) en met blote billen zindelijk worden in de koude winter is ook zo zielig.

Dus toen het voorjaar eindelijk gearriveerd was, was Chrisje de eerste die er aan moest geloven. Zijn fietsje werd uit de schuur gehaald en de hulpmiddelen verwijderd. Nu was het een kwestie van opstappen en fietsen…niet dus. Chris vertikte het, hij voelde zich absoluut niet zeker en ging niet fietsen. Frank heeft erachteraan gelopen, ik heb mijn best gedaan en zelfs ome Remco heeft een poging gewaagd, maar Chris ging niet fietsen. Dus zetten wij de wieltjes er maar weer aan, fietste hij ten minste zelf naar school. ( De helft van mijn doel bereikt, maar dat is niet genoeg.) Dit heeft zich enkele malen herhaald, tot ik op het lumineuze idee kwam om een kleiner fietsje te gebruiken. Misschien zou hij als ie met zijn voeten helemaal plat op de grond kon wel zelfverzekerder opstappen. Een kleiner fietsje werd geleend en jahoor, daar ging meneer. Het heeft mij een middagje speeltuin gekost (de zon scheen, he vervelend). Ik zat op een bankje terwijl Chris zichzelf leerde fietsen (luie moeder? Absoluut!). Ook weer opgelost, na een week stapte meneer over op de grote fiets en hij rijdt nu overal zelf heen. Van een bang mannetje werd het ineens een kereltje met bravoure.

Nu hij de vaardigheid van het fietsen onder de knie had, kreeg zijn zelfvertrouwen een enorme boost. Op het opschepperige af…Met dat hij kan fietsen komen ook de stoere praatjes weer terug. De zondag na de bewuste Chris-kan-fietsen-dag (14 juni), gaan wij naar opa en tante Saar op de camping. Let op, dit is dus krap twee dagen later…Chris, helemaal in de ban van het fietsen, neemt zijn geleende fietsje mee. Opa staat met de caravan nogal ver van de parkeerplaats, dus dit was geen verkeerd plan van mijn zoon.

Aangekomen bij de receptie lopen we een andere kleinzoon van opa en tante Saar met zijn ouders tegen het lijf. Het mannetje wordt door zijn moeder voortgeduwd op een fiets zonder zijwieltjes en het geheel ziet er nogal instabiel uit. Ook Christoph registreert dit, terwijl wij met zijn allen richting caravan lopen komt de bravoure in Christoph weer naar boven. Stoer en een ietwat minachtend kijkt hij naar het wiebelig fietsende jongetje die ontzettend zijn best aan het doen is om op zijn fietsje te blijven zitten en vooruit te komen en zegt: ‘Kan jij nog niet fietsen?’ Op zo’n toontje waaruit je kunt opmaken dat hij dat maar zwakjes vindt. Terwijl hij hard wegscheurt en zo even laat zien dat hij het wel heel goed kan, nuanceert Arjen het gelukkig even voor het dappere fietsertje. ‘Luister maar niet naar hem hoor, hij kan het ook pas twee dagen.’

Wel fijn hoor, in ieder geval een zoon die zich goed kan inleven in een ander.


(O ja, het derde doel is inmiddels ook bereikt, Yfke was begin juli zindelijk…wat moet ik nou doen de rest van het jaar?!)